Rimbaldiaans Voornemen

11/11/2009

 

Hamlet met Spook

« Il n’existe que trois êtres respectables: le prêtre, le guerrier, le poète. Savoir, tuer, créer .
Les autres hommes sont taillables et corvéables, faits pour l’écurie, c’est-à-dire pour exercer ce qu’on appelle des professions. »

Charles Baudelaire  Mon cœur mis à nu, 1864

Mensen werken graag: je kunt in je werk dingen uiteenhalen, samenvoegen, er lucht of wat anders inblazen, kunstig bezig zijn. Verder werk je samen met anderen en stijg je boven jezelf uit, verlies je je eindigheid in de oneindigheid want essentieel onbegrensdheid van een collectief dat een rizoom, een wortelstok, is: je komt steeds onvoorspelbaar ergens terecht bij mensen waar je voorheen nooit van had gehoord.

Maar loonarbeid is per definitie herhaling van wat reeds is gedaan. Creatief bezig zijn op je werk is bijzonder gevaarlijk. En de mensen die je ontmoet hebben de neiging je de les te spellen of je werk te saboteren.

Boven werken, hoe graag ze ook werken, verkiezen mensen dan ook de vrijheid, het onbekende: de plaats en het moment waar het onverwachte kan gebeuren, waar je ervoor kan zorgen dat het onverwachte gebeurt. M.a.w. poëzie. Al is het maar eten geven aan een gekwetste vogel. Je weet niet of hij zal creperen of zijn wonden zal te boven komen. Je geeft je over aan een zuiver poëtische act. Aan zuivere creatie. Aan zuivere kunst.

Ik ben van jongs af aan gefascineerd door de wijze waarop gewone mensen – nu en sinds het begin van de industriële loonarbeid in de 19de eeuw – met weinig middelen erin slagen te ontsnappen aan de arbeid, hun opgelegde taak een loer te draaien, al is het maar door te dagdromen en zo ergens anders te zijn. Mijn licentiaatswerk in de arbeidspsychologie was grotendeels geïnspireerd door de studie van “daydreaming” als ontsnappingsroute voor vervelend, monotoon en repetitief werk, zoals het door Britse psychologen werd bestudeerd bij vooral vrouwen in de Engelse oorlogsfabrieken tijdens de Eerste Wereldoorlog. Bij gebrek aan mannen draaiden deze fabrieken vooral op vrouwenarbeid, reden waarom de Britse regering een speciale organisatie van psychologen opdracht had gegeven om – vrouwen zijn tere wezens, nietwaar – hun problemen qua vermoeidheid en verveling te bestuderen. Na de Oorlog bleek het niet zo gemakkelijk deze vrouwen terug naar huis te sturen. Zij waren een beetje mens geworden. Toch waren ze niet zo gedisciplineerd als het leek. Ze droomden voortdurend terwijl ze hun werk automatisch uitvoerden. De verdere evolutie van de arbeidspsychologie liet zien dat deze dromen niet zo onschuldig waren – en even bedreigend voor de nachtrust van de managers en bedrijfsleiders als de meer brute mannen die zodra de zaak hen niet aanstond in staking gingen.

Er zijn duizenden manieren om zich aan de arbeid te onttrekken: van ziek worden tot sabotage, van buiten een sigaretje roken tot een betere productievere manier bedenken om het werk uit te voeren (want dan moet je in principe minder lang of minder hard werken).

Ik zou wel eens een studie willen maken van de manieren waarop mensen anno 2009 zich aan hun werk onttrekken. Op welke manier diverse manieren van doen op het werk en vóór of na het werk, op de vrije dagen, geïnterpreteerd kunnen worden als een “refus du travail”. Ik zou bv. wel eens willen weten hoe al die Facebook-friends die in de loop van de eerste maanden van dit jaar, na een ware hetze, op hun werk het verbod kregen nog op Facebook te vertoeven of die het technisch onmogelijk werd gemaakt naar Facebook te surfen, deze aanval op hun ontsnappingsroutes hebben gecompenseerd. Zijn ze meer sigaretjes gaan roken buiten of zijn ze langer blijven plakken in het koffielokaaltje? Hoe evolueert het absenteïsme in functie van de werkloosheidsgraad (als de werkloosheidsgraad laag is, kan men je zomaar niet ontslaan en door een werkzoekende vervangen wanneer je eens ongewettigd – of gewettigd – afwezig bent)? Et cetera.

Ah! Ik zou zoveel willen. Eigenlijk ben ik al twee jaar dat analytisch werk zat, dat werk dat toch altijd een herhaling is, een te weten komen van wat je op je veertiende al even helder – en misschien veel helderder – wist. Ik heb deze twee jaar teveel mijn verengd verstand moeten gebruiken, moeten “werken in een paardenstal” (écurie dus, zoals Baudelaire aangeeft; de naam Rosseel betekent bovendien “paardenstal”, ros-sala; een West-Vlaamse naam met blijkbaar een afsplitsing geconcentreerd in Vlaams-Brabant – verdwaalde mensen die Rosseels heten, met een “s” achteraan, wat betekent “kind van Rosseel”, zoals de eertijds geroemde katholieke schrijfster Maria Rosseels; ik had teveel zelfrespect en bovendien andere dingen te doen en dus geen tijd om haar gewauwel over geloofstwijfel te lezen – en in Engeland: sir Bertrand Russell bijvoorbeeld, één der grootste intellectuele heren van de 20steeeuw, moet ergens tussen Diksmuide en Brugge West-Vlaamse roots hebben gehad). Ik kweek alleen maar elke dag vers ressentiment, verse revanchegevoelens. Dit weten, dat deze wereld bestaat uit elementaire deeltjes en dus een dal van Hinnom is, wil ik niet meer weten. Het weet hebben van de Realiteit is altijd een onvruchtbaar weten, het blijven steken bij de eerste bladzijde van een boek. Het vruchtbare weten daarentegen betreft de Morgen (niet die verstomde elitaire gazet hé) die we tegelijk kennen en niet kennen en die zal opduiken wanneer we de Nacht verlichten.

Ik ben niet geschikt om te leven als mensen die plezier beleven aan hun eigen verloedering en brutalisering (ik kan als het moet brutaal zijn, maar nooit heb ik er plezier aan beleefd), als mensen die als een zalige vis zwemmen in de poel van de miserie van hun medemensen. Daar is geen leven te leven, alleen een overleven dat moet volgehouden worden en overleven is constant balanceren op de grens van een kadaverbestaan. Ik ben er “exilé dans sa patrie” (Rimbaud, 1870). En dat soort mensen is improductief: ze staan ’s morgens alleen op om elkaar genadeloos af te maken. Ze nemen zich niet voor iets voort te brengen.

Nee, ik wil zoals vroeger tussen de plooi van de uren en de dagen, opnieuw Vrouw worden. Autolesbisch en dus met veel meer impact op de wereld dan het ter plaatse trappelen van de laatste 2 jaar. Dronken zijn! Dorst hebben naar meer! In een andere wereld leven, samen met anderen: er zijn er zoveel die niets liever willen. Om te leven moet je verder alleen in de moestuinen sla uitsteken en in de boomgaarden appels en kersen plukken. De wereld is één tuin en één gaard geworden waar, meer nog dan vroeger, van alles zo maar voor het rapen valt.

Als dichter zijn wat Arthur Rimbaud in zijn brief van 15 mei 1871 omschreef als:

“le grand malade, le grand criminel, le grand maudit, – et le suprême Savant ! »

Vas-y, Eric.


(S)Linkse Advocaten + Quote van de Dag

11/11/2009

.

Linkse advocaten !!??
Ik ben onlangs, zoals u weet, met het gerecht in aanraking geweest. Ik kreeg vandaag van mijn ad hoc gekozen advocate de evaluatie van het vonnis. Ik ga er niet op detail op ingaan, ik ben de zaak zo beu als kouwe pap. Als pap tout court. Maar ze ligt wel in de lijn van wat ik de voorbije dagen over “racisme” schreef. Gelukkig dat ik toen nog niet had gehoord of gelezen wat ik vandaag moet lezen aan gebrek aan elementair respect. Laat me wel stellen dat ik de zaak niet verloren maar ook niet gewonnen heb.

Maar daar gaat het niet om.

Ik ga geen namen noemen maar u mag me wel bellen voor naam en toenaam.

Finaal moet ik tot de conclusie komen dat een “linkse” advocaat je pluimt en oplicht als je maar een Belg bent die officieel invalide is en als enig inkomen een ambtenarenpensioen heeft (blijkbaar een doorn in het oog van Pol Pot socialisten). Die dus geen extreemlinkse terrorist is die vecht voor de “goede zaak”, geen vreemdeling is, geen asielzoeker, geen illegaal of iets anders van dit soort mensen waarvoor ik doorgaans alle sympathie kan opbrengen en soms zelfs meer dan sympathie. Maar een linkse advocaat die me oplicht omdat ik maar een simpele Belg ben, dwingt me wel, zeker voor een paar dagen, een beetje racist te worden, al is het maar uit een instinctieve reactie tegen het feit dat ik zelf bestempeld word als racist. En dat door mensen die de laatste zouden moeten zijn om me zoiets aan te smeren, namelijk precies Marokkanen waarbij ik nog in de bres gesprongen ben toen er in racistische termen over hen gesproken werd. Maar blijkbaar vreemdelingen die als huiseigenaar en dus kapitalist (sorry, dames & heren linkse advocaten; u moet eens een cursus “Inleiding tot het marxisme” volgen) zich gedragen zoals elke kapitalist, of hun huidskleur nu Noord-Afrikaans bruin, blank, zwart, bloedrood of purper is (en zoals ik me wellicht zelf ook zou gedragen indien ik kapitaal had; daarom ben ik “links” in de hoop dat de relatie tussen mij en de samenleving zal verhinderen dat ik of om het even wie ooit kapitalist moet worden): namelijk desnoods de wet overtreden om nog wat euro extra buit te kunnen maken.

In ieder geval: als ik na de Revolutie volkscommissaris word (er is weinig kans toe, de kans is groter dat ik geëxecuteerd word, naar het schijnt sta ik al sinds 1970 op bepaalde lijsten), vliegt gans dat zooitje advocaten naar de nog bestaande onderaardse gangen van de Kempische steenkoolmijnen (de hoge transportkosten naar Siberië zijn ze niet waard). Ze kunnen daar naar believen manillen, kleurenwiezen of belote spelen naast een automaat met Cola Light, repen Mars en Bounty’s.

Tiens: hoor ik daar achter mij op tv niet het hoge woord van een politica die ja ook advocate is en in verband met het voorzien veralgemeend rookverbod in de Horeca verklaart: “Het moet gebeuren in overleg met de sector en gepaard gaan met bijkomende maatregelen.” Bijkomende maatregelen? Wat bedoelt madame eigenlijk? Even wachten op de volgende herhaling van het laatavondjournaal. Ah! Blijkbaar (ik kan verkeerd zijn) bedoelt mevrouw dat het rookverbod gekoppeld moet worden aan een btw-verlaging tot 6% voor de café- en restauranthouders. Kortom, een koehandel waar het inkomstenverlies ten gevolge van het rookverbod gecompenseerd wordt door een btw-verlaging terwijl je op een basisproduct als energie (gas & elektriek) wel 21% btw moet betalen natuurlijk. Alsof ik naar een café zal gaan waar je niet mag roken omdat het er eventueel 2 cent goedkoper is. En als Patrik Vankrunkelsven daarvoor de politiek verlaat omdat zijn kameraden liberalen hem niet willen volgen in zijn kruistocht tegen de rokers, nu ja: dan zal het wel waar zijn dat ie zijn ex-lief bont en blauw heeft gemept; tenslotte, als ik zijn politieke loopbaan natrek, is ie altijd al graag een beetje een heksenjager en inquisiteur geweest die de mensen graag hun volkse plezier afpakt. Meneer werd vroeger tot het “linkse” kamp van de VolksUnie gerekend. Links? Of “Links”? Of “Slinks”? Hoe dan ook: de rijkeluizen zullen dus in hun Comme chez Soi of De Karmeliet wel maar 6% moeten betalen voor hun jaarlijkse bord verse hopscheuten uit Poperinge en voor hun (nu wel ongerookte) braspartijen met een trou normand tussen de 7 gangen en een fles Cognac Trois Étoiles op het einde om daarna nog vite vite langs te lopen in een bordeel om er chien et chienne te spelen. Uiteraard op kosten van hun bedrijf of instelling en dus finaal op de uwe en de mijne.

[“By the way & entre parenthèses, ik ben een absoluut & totaal & koppig tegenstander van zo’n rookverbod, de Horecasector heeft overigens sinds het rookverbod aan mij per jaar reeds minimaal 2.000 euro verloren en dit is, in tegenstelling tot de “belofte” van aanstoker CD&V-er Dirk Claes, burgemeester van Rock Werchter, niet gecompenseerd door het regelmatig bezoek van een idyllisch gezinnetje dat elke namiddag of vooravond met zijn nageslacht een glas Fanta of Sprite komt drinken en een bierworstje in vieren deelt.]

Dat mensen zo’n afkeer hebben van politiek zal wel komen omdat het merendeel van die volksverlakkers advocaten zijn.

Soit. Keren we terug naar waar ik het hier over had: mijn privé-ervaringen met een bepaalde zich als superlinks voordoende advocatuur. Finaal moet ik tot de conclusie komen dat mijn advocaat die ik had uitgekozen omdat ze heel specifiek pretendeert (op de site van het advocatenkantoor) huurders te verdedigen, er alles heeft aan gedaan om te zorgen dat mijn pensioen inderdaad verdwijnt in de “pocket van Mohammed”, zoals her en der wordt beweerd, zij het uiteraard als uiting van verdwazing en verzuring. Ik ben gewoon een Belg en dat betekent volgens deze linkse advocaat dat de eerste de beste illegaal of vreemdeling (ik maak normaliter geen onderscheid tussen legalen en illegalen, tussen Belgen en niet-Belgen, maar ik moet mevrouw wel volgen) zich op alle mogelijke manieren aan mij mag vergrijpen. Zelfs al treden ze feitelijk en juridisch op als zuivere kapitalisten (i.e. mensen die kapitaal investeren met als enige bedoeling zoveel mogelijk winst te realiseren), ze zijn per definitie onschuldig en niet tot een misdrijf in staat. Alleen Belgen zijn tot misdrijf en misdaad in staat.

Dit zijn geen “linkse” of “marxistische” advocaten maar zuivere racisten (ze denken blijkbaar alleen in termen van “ras” of “etnie”) en oplichters. Althans: dat denk ik ervan. En dat heb ik haar ook gemeld.

Verder: van het Westelijk en ook van het Oostelijk front, geen nieuws. We hebben de 20ste verjaardag van de val van de Berlijnse muur overleefd. Al waren de boules de Berlin 20 jaar geleden lekkerder, vind ik. Maar ik zal wel bij de verkeerde “linkse” bakker zijn langs gelopen.

 

QUOTE van de DAG

“La Belgique contient, dit l’Almanach Royal, dix et demi millions de sujets, sans compter les sujets de mécontentement.”
(vrij naar de opening van het eerste nummer van het dagblad La lanterne, Paris, 1868, onder de redactie van Henri Rochefort, één der animatoren van de Parijse Commune van 1871)

 

LIED van de DAG


Een Paar Woordjes over Racisme (reeds Part 3 dus – en vermoedelijk ook Slot)

10/11/2009


vite! est-il d’autres vie?
à chaque être, plusieurs autres vies me semblaient dues
(Arthur Rimbaud, 1873)

een beetje wetenschappelijk inzicht en een beetje liefde van/voor de mensen
(Karl Marx, 1844)

We kijken deze jaren verbeten en machteloos naar de onmogelijkheid om in een crisissituatie een “links internationalisme” levendig te houden en een solidariteit te ontwikkelen tussen de diverse lagen van de bevolking die door de crisis getroffen worden. Die lagen zijn immers zeer verscheiden: een “middenklasse” van relatief goed geschoolde en goed betaalde loon- en weddetrekkenden maar ook kleine zelfstandigen en landbouwers die vroeger hoopten nog hogerop te komen (qua levenskwaliteit, inkomsten, status, respect, democratische zeggenschap, etc.) maar nu vooral verteerd worden door de angst omlaag te vallen en aan lager wal te geraken; de laag van ongeschoolden die constant aangetrokken wordt door de idee om via het pad van de criminaliteit het hoofd boven water te houden of om met één slag “gerust te zijn voor de rest van hun leven” (via de Lotto/Euromillions of de perfecte bankoverval); de reeds aanwezige gastarbeiders die, massaal werkloos geworden, terechtgekomen zijn in een situatie van feitelijke overbodigheid, met hun kinderen die in een situatie van toenemende discriminatie en feitelijke leerachterstand niet weten van welk hout pijlen te maken en dus al evenzeer toegeven aan de lokroep van de criminaliteit; plus daarbovenop nieuwe migranten en asielzoekers van overal ter wereld die hun eigen lokale ellende ontvluchten om in de rijkste delen van de wereld beter aan hun trekken te komen.

We moeten beseffen dat deze crisis nu reeds duurt sinds de eerste helft van de jaren 1970 en met de actuele financiële en economische crisis een finaal hoogtepunt blijkt te bereiken en dus ook een finale oplossing of Endlösung moet opleveren.

Doorheen de voorbije jaren hebben zich diverse diepgaande ontwikkelingen voorgedaan, zowel feitelijk als ideologisch en op het niveau van de mentaliteiten:

1. de systematische organisatie van de sociale ongelijkheden (in naam van het Algemeen Belang en op basis van de ultradarwinistische redenering dat de sterken nog sterker moeten worden gemaakt opdat op termijn ook de verzwakten en dezen die men gevraagd heeft zich op te offeren (“inlevering”, “flexibilisering”, etc.), op een betere toekomst en hogere welvaart zouden kunnen rekenen).

2. de ontwikkeling van een ideologie die winnaars tegenover verliezers stelt, van een veralgemeend (in origine electoraal) “winner-take-all” principe. Doorheen de afgelopen jaren zijn de mensen doordrongen geraakt dat het erop aankomt te “scoren”. In die sfeer waarin iedereen onder druk staat vermits iedereen deelneemt aan een wedstrijd waarin “winnen veel belangrijker is dan deelnemen” (“als je niet kunt winnen, kom je maar beter niet aan de start”) ontstaat een dubbelzinnige levenshouding van verheerlijking van de winnaars én van ressentiment. De winnaars is enerzijds alles gegund en binnen de status van halfgod die hun wordt toegekend, wordt hun elke misstap verheven. Aan de andere kant ligt ook iedereen op vinkenslag om elke misstap van een elitair figuur uit te vergroten tot een schandaal en de “winnaar” genadeloos te onteren en te lynchen. De Media (in handen van “kleine winnaars”, wat journalisten toch zijn) komen graag tegemoet aan deze dubbelzinnige mentaliteit. Als enige macht die aan niemand verantwoording moet afleggen, selecteren zij wie verheerlijkt en tot idool verheven moet worden (een handige welsprekende onbenul als kerkrechter Rik Torfs bv. die ons wat amuseert met geniepige knipoogjes, gelul over seks en de vraag of God bestaat en nu ook dreigt een nieuwe politieke partij te stichten als straf voor onze zonden) of wie moet worden geëlimineerd. Aan de andere kant is er niemand die zich aantrekt van de rechtspositie van de verliezers: zij worden afhankelijk van “humanitair” werk en van de goodwill van de overheden om een “meldpunt” voor hun miserie te voorzien.

3. onderlinge concurrentie en onmogelijke solidariteit: naarmate meer mensen zich aandienen om te leven van een taart die niet groter wordt (het stuk dat groter wordt, gaat onmiddellijk naar de Elite van de “sterkeren”) is het vrij logisch dat om de taart gevochten wordt vermits de gebruikelijke verdeelsleutels niemand tevreden stellen. Waar de taart vóór de crisis beschermend en geruststellend was (ze werd elk jaar groter), wordt ze nu bedreigend en creëert ze een situatie waar iedereen tegen iedereen wordt opgezet. Dat we de laatste decennia zoveel met het woord “solidariteit” om de oren worden geslagen, bewijst precies dat deze solidariteit in wezen onbestaande is. In deze context wordt de intellectuele positie van iemand als Slavoj Žižek, die als marxistische intellectueel het linkse multiculturalisme ridiculiseert, begrijpbaar. Hij hamert er al meer dan 10 jaar op dat de lieden die zich inzetten voor asielzoekers, bijzonder hypocriet zijn en door hun acties vooral hun eigen geprivilegieerde positie veilig stellen. Zij weten dat hun eis tot “Algemene Regularisatie” volkomen irrealistisch is en de feitelijke situatie van de asielzoekers alleen maar verergert doordat een groot deel van de “autochtone” bevolking zich tegen hen gaat keren (zelfs de reeds aanwezig zijnde allochtonen zijn geenszins solidair met de nieuwe migranten) en doordat het asiel zoeken zelf een wedstrijd wordt van winnaars en verliezers. Aan de andere kant riskeren zij zelfs niets, integendeel: hun acties verschaffen hen de gelegenheid om quasi dagelijks met ministers en kabinetsleden te gaan eten en in de antichambres van de Macht te wachten tot ze zelf een elitaire positie kunnen bemachtigen. Je kunt hun acties duiden als “solidariteit” maar evengoed als “profiteren van de miserie van anderen”.

4. een steeds toenemende maatschappelijke stress, zowel in het openbare leven, de werkplaats als in de privésfeer. De samenleving “verhardt”. Niet te verwonderen dat ons op tv zoveel humor wordt aangeboden: die humor wordt ook steevast platter en boertiger (onder het motto “Alles moet kunnen”). Ze is én sadistisch (lachen met een ander) én masochistisch (zich verlustigen in je eigen miserie).

5. alle gevoelens en mentaliteiten die deze crisis oproept, worden dan nog eens extra gecommercialiseerd. Zowel de behoefte om anderen hulp te bieden en te ondersteunen als de behoefte anderen onderuit te halen, worden commercieel genadeloos uitgebaat. Solidariteitsacties als 11.11.11 of Kom op tegen Kanker zijn geldverslindende mediacampagnes geworden. Van de 10 euro die je geeft om een gehandicapte of een miserabele te helpen, weet je niet hoeveel ervan terechtkomt bij de persoon wiens foto via tv en pers wijd wordt verspreid, en hoeveel ervan verdwijnt in de zakken van de inrichtende organisatie die in ieder geval niet happig is om haar boekhouding te laten uitpluizen. Als de zaak al geen pure oplichterij is.

Kortom: in deze context is het bijzonder moeilijk een aantal modernistische idealen, samengevat als “alle mensen worden broeders”, hoog te houden. De menselijke mogelijkheid om veel meer te worden dan “jezelf” wordt compleet utopisch, utopisch in de zin dat ze in het “hier en nu”, in deze tijd en op deze plaats (u-topie = plaats die niet bestaat) volkomen irrealistisch is. Op het individueel-psychologische vlak worden mensen gedwongen zich ertoe te beperken “zichzelf te zijn” (wat idioten dan als een positieve zaak zien, niet eens in staat te zeggen wat ze bedoelen met “zichzelf”), zich op te sluiten in hun identiteit in afwachting dat er voor hen of voor hun kinderen nieuwe kansen opduiken. Collectiviteiten kunnen zich niet verrijken door op te gaan in grotere wereldse gehelen en zien zich gedwongen zich terug te plooien op het status quo of, gezien de onhoudbaarheid en de ondraaglijkheid van de actuele conditie, zelfs op een wezenlijk mythische situatie van vóór het status quo: het reactionair romantisme van de nostalgie naar een premoderne situatie. Kortom, het nationalisme (in Vlaanderen gecentreerd rond de notie “Volk”, in Frankrijk of in Italië bv. eerder rond de notie “Natie”). Zowel op individueel als op collectief vlak komt dus in de zelfbeleving de “identiteit” en het behoud van die identiteit centraal te staan. De horizon van de ontplooiing van zichzelf die steeds neerkomt op een “iemand anders worden dan de Zelf die men reeds is of meent te zijn” wordt onzichtbaar, zowel voor de enkeling als voor het collectief (de gemeenschap).

Het (extreem)rechtse standpunt is duidelijk en wordt door de bevolking bovendien vrij goed begrepen. Het luidt simpelweg: de historisch bestaande collectiviteit of gemeenschap (Natie, Volk) moet zijn economische positie zien te versterken door vrij spel te geven aan de aanwezige dynamische krachten (zijnde de ondernemingen), die nieuwe welvaart moeten creëren, waarbij de rest van de bevolking zich (tijdelijk) moet opofferen en zich in vertrouwen moet onderschikken aan deze dynamische krachten. Mensen moeten het met minder stellen, minder mens zijn, om zo toch minstens zichzelf te kunnen blijven. De hoop later weer meer mens te kunnen worden en nieuwe mogelijkheden te krijgen wordt zelfs niet meer geëxpliciteerd.

De idee dat iedereen de rangen moeten sluiten en zich inschakelen in de acties van de “dynamische krachten” staat algemeen bekend als “solidarisme” (ontstaan als een variant van het fascistisch gedachtengoed in de jaren 1930, in Vlaanderen verwoord door het Verdinaso, voluit Verbond van Dietse Nationaal-Solidaristen; het solidarisme wordt nu in Vlaanderen vooral gepropageerd door de studentenorganisatie NSV Nationalistische StudentenVereniging, aanleunend bij het Vlaams Belang). Das Volk (het geheel van de gewone mensen versus de Elite) wordt Ein Volk (“Wir sind das Volk”, de slogan van de Oost-Berlijners die de Muur neerhaalden, werd snel verkeerdelijk voorgesteld als “Wir sind ein Volk”, waarbij de klemtoon dan ligt op de Duitse éénmaking, niet op het gebrek aan democratie in het voormalige communistische Oost-Duitsland, de Duitse Democratische Republiek DDR). Politiek gezien (bij monde van nationalistische politieke partijen) stelt het solidaristisch nationalisme het volk voor zijn vertrouwen te geven aan een nieuwe Elite, die de bestaande corrupte en incompetente elite moet vervangen. (Deze idee gaat terug op de geschiedenisinterpretatie van de invloedrijke Zwitsers-Italiaanse sociaaleconoom Victor Pareto (1848-1923) – “uitvinder” van de bekende 80/20 regel; Pareto, een heftige antiliberaal, stelde reeds rond 1900 dat de geschiedenis zich verwerkelijkt als een “circulatie van elites”; Benito Mussolini is als jonge man in 1904, als ik het goed voorheb, een half jaar bij Pareto in de leer gegaan.)

Het solidarisme benadrukt, in tegenstelling tot Hitlers nationaal-socialisme, veel minder het verslaan van de volks- of Natievreemde vijand, dan wel het versterken van de volkseigen of nationale krachten. In die zin gaat er van het solidarisme een bijzondere aantrekkingskracht uit zodat het in tijden van crisis (doorgaans ongemerkt) doordringt in een breed politiek spectrum dat zich uitstrekt van klassiek zich liberaal-humanistisch noemende tot antiliberale middens (de christendemocratische middens met name). Het solidarisme impliceert wel steeds de uitbouw van een repressief apparaat tegen al wie zich niet kan of wil inschakelen in de volkse of nationale dynamiek. Het patriottisme neemt zo de vorm aan van “patrouillotisme” (Arthur Rimbaud): blauw op straat en mensen die opgeroepen worden elkaar in de gaten te houden. Het creëert (het kan niet anders) een vrijheidsbeperkend klimaat voor een ganse resem andersvoelenden en andersdenkenden (van “geesteszieken” en bizarre persoonlijkheden tot kunstenaars, politieke dissidenten, kritische geesten en uitzonderlijke genieën).

In België wordt de zaak in die zin gecompliceerd dat in crisistijden de ambivalente nationale constructie die België is (als een historische samenvoeging van twee gebieden met een verschillende taal, een verschillende economische infrastructuur en een verschillende religieuze en levensbeschouwelijk klimaat) onmiddellijk op de helling komt te staan. Dat was zo in de jaren rond 1900 (feitelijk begin van de Vlaamse Beweging met ondermeer Lodewijk de Raet en August Vermeylen), het was nog meer zo in de jaren 1930 en het is in de actuele crisis weer zo.

Politiek en ideologisch Links staat in die zin voor een bijzondere spreidstand:

1. zij moet blijven uitgaan van het standpunt dat ieder lid van de mensheid gelijkwaardig is en gelijkgerechtigd is, dat de wereld toebehoort aan iedereen en dat dus, zoals Antonio Negri & Michael Hardt benadrukken in hun (zogenaamd andersglobalistisch) boek “Empire”, iedereen het recht heeft te gaan en staan waar hij wil. Kortom: een mens heeft geen specifiek vaderland (cf. Marx: “de proletariër heeft geen vaderland”). Deze positie impliceert het ontkennen van grenzen, het gegeven dat men nergens ter wereld een vreemdeling is en dus ook het absoluut recht op mobiliteit. We zien inderdaad dat tegenwoordig mobiliteit (zowel beroepsmobiliteit als geografische mobiliteit) een basisvoorwaarde is om op de arbeidsmarkt kansen en perspectieven te hebben. Desondanks is het mobiliteitsrecht feitelijk bijzonder klassenafhankelijk. Terwijl het kapitaal vrij de wereld rond circuleert en door geen enkele grens wordt tegengehouden, terwijl de kapitaaldragers vannacht in New York, morgen in Johannesburg en overmorgen in Shanghai rondhangen, is het gewone lieden niet zo maar gegeven grenzen te overschrijden. Terwijl gewone mensen naar het “buitenland” op vakantie gaan, is de Elite op vakantie wanneer ze eens een week thuis in de gezinskring doorbrengt.

2. vermits “socialisten” van welke strekking ook nationaal georganiseerd zijn (zelfs Europese verkiezingen zijn wezenlijk nationale verkiezingen) en in de eerste plaats niet anders kunnen dan inwerken op nationale structuren en wetgevingen, is het relatief vanzelfsprekend of “natuurlijk” dat Links de minder begoede klassen die ze politiek vertegenwoordigt, ook in de eerste plaats tegen de crisis tracht te beschermen binnen een nationaal kader.

M.a.w. Links wordt ofwel iets waar op de duur alleen nog BV’s, rare pipo’s en masochisten achter kunnen staan ofwel wordt het populistisch en dreigt het elk contact te verliezen met de meer intellectuele lagen van de bevolking. De vernoemde paradox verklaart o.i. niet alleen de tegenwoordige complete inhoudsloosheid van de sp.a (net zoals van de PvdA in Nederland of van de SPD in Duitsland) maar ook de immobiliserende verdeeldheid van de Parti Socialiste in Frankrijk. En ook de steeds meer uitgesproken nationalistische reflex van bijvoorbeeld de Socialistische Partij in Nederland of Die Linke in Duitsland.

Anderzijds stoot een dergelijke nationalistische evolutie van Links in Vlaanderen op het gegeven dat een bepaalde openlijk solidaristische partij (het Vlaams Belang) reeds decennia succesvol appelleert aan de door neoliberalisme en globalisering bedreigde “kleine man”. Deze partij kon enkel ingedijkt worden doordat het “Establishment” alle middelen heeft ingezet om deze partij te counteren: eerst door het beruchte cordon sanitaire, meer recent door het mediatiek naar voren schuiven van “populistische” alternatieven die wanneer ze te succesvol zijn dan ook weer worden gediaboliseerd (Jean-Marie Dedecker en Bart Dewever met hun LDD en hun NVA, waarvan niemand eigenlijk weet waar die precies voor staan) maar die grosso modo hetzelfde discours naar voren brengen, zij het met andere accenten en andere stijlfiguren.

Is het voor bepaalde intellectuelen eigenlijk (als ze eerlijk durven zijn) niet meer zo eenduidig om socialisme en solidarisme uiteen te houden, dan is het dit voor “gewone mensen” nog veel moeilijker, en dit des te meer naarmate de Media alsmaar meer de functie op zich nemen mensen te verdoven (met zever, sport, “humor” en herhaling van vergane glorie van “het jaar stillekes”) eerder dan hun inzicht en hun kennis over zichzelf en de wereld te vergroten. Media die op die manier hopen én de vervanging van de elites zoals die is in voorzien in het solidarisme, én het ontluiken van een reëel globaal alternatief zoals het op micropolitiek niveau partieel wel bestaat, te voorkomen.

Ik kan alleen maar besluiten dat tegenover de actuele impasse die gans Europa stilaan opvreet (dit terwijl in Zuid-Amerika bv. nog nooit zoveel politieke beweging en beroering is geweest, zowel bij het “gewone volk” als bij kunstenaars en intellectuelen), slechts 1 wezenlijk alternatief kan worden gesteld. En dit is een radicaal en totaal overdenken van mens en samenleving in de geest van geniale 19de-eeuwse figuren die voelden wat er met de kapitalistische industrialisering op het spel stond, mensen à la Karl Marx (“de wereld transformeren”), een Nietzsche (de “Übermensch”) of een Arthur Rimbaud (”changer la vie”, “réinventer l’amour”).

Wat er op het spel staat is (m.i.) de keuze tussen:

1. de (denkbare want aan de gang zijnde en ons leven beheersende) verdere mechanisering (en in wezen dus commercialisering) van de mens als perfectionering en voltooiing van het kapitalisme (m.i., achteraf gezien althans, in wezen de keuze van Lenin en de bolsjewistische Partij die met de Russische Revolutie ging lopen); het liberalisme als de vrijheid van enkelen om een meerderheid te verknechten en te verdwazen.

2. het ondenkbare, het niet of nooit gedachte en het onuitgesprokene, het althans sinds enkele decennia niet meer (en zeker niet meer democratiseerbaar geachte) denkbare en niet uitgesprokene maar wel gearchiveerde en heropwekbare: de Toekomst als niet vooraf ingeblikt, niet vooraf beperkt en niet vooraf ingeperkt leven.

Ik kan de nieuwe generaties en al wie nog soepel van geest is alleen maar aanraden om van de heersende perspectiefloosheid (alles wat je vandaag hebt, kun je morgen al verloren zijn) gebruik te maken om radicaal en totaal (met betrekking tot het geheel van het menselijk bestaan en de menselijke conditie) anders te denken en te handelen, anders dan ooit voorheen. Misschien doe je dit reeds en ben ik op mijn leeftijd te verroest om het te merken. Want de kans is reëel, zeker gezien mijn slecht karakter, dat ik het nieuwe niet zal herkennen of zal beschouwen als oude wijn in nieuwe zakken.

Vooruit dus met de Romantiek! Niet de idyllische terugkeer naar het Verleden, maar de (steeds voorlopige) Realisatie van de Droom die altijd voorbij het Heden en zijn Tijd en Ruimte ligt.


Dances with Wolves (Kevin Costner, 1990)

09/11/2009

.

Maj. Fambrough: “It is said here that you were decorated.”
Lt. John Dunbar: “Yes sir.”
Maj. Fambrough: “And they sent you here to be posted?”
Lt. John Dunbar: “I am here at my own request.”
Maj. Fambrough: “Really? Why?”
Lt. John Dunbar: “I have always wanted to see the frontier.”
Maj. Fambrough: “Do you want to see the frontier?”
Lt. John Dunbar: “Yes, sir. Before it is gone.”

De einder is verder dan het einde
Hij is einder dan het einde
Je zou nog gaan denken
Dat er leven is na de dood
Ach wat maakt het uit
Dat er op Mars geen rozen groeien
En dus ook geen vlinders
Die fladderen van bloem tot bloem

Al wat ik zal doen is de einder aanraken
Door over het einde heen te gaan
Zoals een vlinder drie keer
Over haar einde is gegaan

[maandag 9 november 2009 - 1:20 a.m.]


Een Paar Woordjes over Racisme (part 2)

08/11/2009

.

Vooraleer onze racismedraad weer op te pakken, me even afreageren, anders riskeer ik en passant onschuldigen als zondebok te gebruiken voor zaken waarvoor ze geen verantwoordelijkheid dragen. Wat hoor ik via mijn linkeroor dat halvelings naar het Journaal van 13 uur luistert? Bejaarden in rusthuizen mogen geen bezoek meer ontvangen van hun kinderen en kleinkinderen, btw in Tremelo dan nog waar men zo hoog oploopt met een zekere Pater Damiaan, die heilig wordt verklaard precies omdat hij geen schrik had lepra op te lopen wanneer hij gevolg gaf aan zijn goddelijke roeping. En dat terwijl alle wetenschappelijk onderzoek al decennialang aantoont dat sociaal contact één van de factoren is die het immuunsysteem het best versterkt. Het is als vaccin beter dan de bucht en de gebakken lucht die de mensen nu wordt ingespoten. Waar dient dat griepcommissariaat met al zijn geleerden en professoren eigenlijk voor? Die Mexicaanse griep komt me elke dag nog meer en meer over als het zoveelste excuus waarachter allerhande machthebbers (zoals de directie van een rusthuis) zich kunnen verbergen om mensen te terroriseren en hun het leven onaangenaam te maken. Een schande! Voilà!

*****

Het woord “racisme” is sinds ongeveer 1990 bijzonder populair geworden, dat wel. Vooral met de verkiezingssuccessen van het Vlaams Blok, nu het Vlaams Belang, in het bijzonder na de zogenaamde Zwarte Zondag van 24 november 1991, zat Vlaanderen ook politiek opgezadeld met een vreemdelingenvraagstuk, dat door de weldenkenden in eerste instantie echter werd genegeerd, want die hetze tegen vreemdelingen was in hun ogen in zijn geheel en in zijn details eigenlijk alleen maar een vorm van een gedateerd en achterlijk racisme, waarmee we na Wereldoorlog II en de Wiedergutmachung jegens de Joden immers hadden afgerekend. Het Vlaams Blok werd zonder meer een racistische partij genoemd en door de andere partijen die zichzelf verhieven tot “democratische partijen” genegeerd en geïsoleerd, waarmee ook, op een vrij arrogante en onbegripsvolle wijze,  de bezorgdheden, de stem en de mening van honderdduizenden burgers die bepaald niet gekker of zieker waren dan de rest van het kiesvee als een uiting van verwerpelijke bekrompenheid, egoïsme en “verzuring” irrelevant werden verklaard. Uiteindelijk werd Het Vlaams Blok in 2004 zelfs veroordeeld wegens racisme en inbreuken op de antidiscriminatiewetgeving, wat de partij, ondertussen qua stemmenpercentage gestegen tot een meer dan respectabele 25%, dwong haar naam te veranderen in Vlaams Belang.

Ondertussen is het Vlaams Belang er wel netjes in geslaagd haar 3 prioritaire thema’s helemaal bovenaan de politieke agenda te plaatsen, daar waar deze thema’s er voorheen niet eens op voorkwamen:  1) de Vlaamse Onafhankelijkheid (sinds 2000 zijn het Noorden en het Zuiden, vooral op initiatief van het Noorden, snel van elkaar verwijderd geraakt op alle vlakken; op de VRT aarzelt men tegenwoordig niet een uitgenodigde Waal aan te kondigen als een “buitenlander”; geen Vlaamse politicus durft het nog aan te zeggen dat hij in de eerste plaats Belg is); 2) de strijd tegen de criminaliteit in al zijn vormen (de politie is tegenwoordig zo overal aanwezig dat we niet ver af staan van een politiestaat) en 3) het vraagstuk van de migranten, de asielzoekers en de illegalen; het vraagstuk neemt de laatste twee jaren meer en meer de vorm aan van de plaats die de islam al of niet in onze samenleving kan innemen.

Sinds 1990 wordt de term racisme te pas en te onpas gebruikt. Het woord werd en wordt ook gekoppeld aan politieke overtuigingen die met ras in de breedste zin van dit woord hoegenaamd geen uitstaans hebben. Het FDF (Front des Francophones) dat voorheen omschreven werd als “fransdol” wordt sinds 2007 steevast “taalracistisch” genoemd. Ik heb in de periode van 1990 tot vandaag nogal wat mensen ontmoet die de term “racisme” gebruikten zonder te kunnen kenbaar maken wat ze er precies mee bedoelden. Hetzelfde gold trouwens voor de talrijke lieden die uit overtuiging of uit conformisme aan het politiek correcte denken, virulent te keer gingen tegen dat Vlaams Blok en zich antiracist of antifascist noemden. Maar de inhoud die ze aan hun antiracisme gaven oversteeg dikwijls nauwelijks hun symbolische afkeer voor het Vlaams Blok/Belang. Vroeg je een doordeweekse “racist” én “antiracist” naar een omschrijving van het begrip “ras” in de woorden “racisme” en “antiracisme”, dan konden ze dikwijls nauwelijks wat verzinnen. De schijnheiligheid is in beide kampen soms zeer hoog. Zo ken ik mensen die vinden dat Vlamingen een eigen identiteit hebben maar geen eigen volksaard: de term “identiteit” klinkt namelijk “progressief”, terwijl de term “volksaard” naar “fascisme” zweemt. Nou, dat soort zand strooi je Rosseel niet in de ogen, hoeveel linkse of progressieve tijdschriften je nu ook op een week mag lezen. Dat dit Vlaams Blok en ook nu nog het Vlaams Belang een aantal revisionisten (mensen die menen dat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog volledig geschreven is vanuit het standpunt van de winnaars, waarbij de wandaden van de verslagen vijand veel groter gemaakt werden en worden dan ze in werkelijkheid waren), negationisten (Holocaustontkenners), Hitlerfans en jonge neonazi’s (op zichzelf ook al een begrip dat nauwelijks wordt gedefinieerd) in zijn rangen telde en telt, maakte en maakt het sommige opiniemakers echter oppervlakkig gezien heel gemakkelijk om het Vlaams Blok/Belang als geheel als een leger racisten voor te stellen. Het groeiend “racisme” dat zich vanaf 1990 als een olievlek in heel Europa verspreidde, werd op één hoop gegooid met het historisch antisemitisme en de Jodenhaat van Hitlers nazi’s.

Het valt op dat als synoniem voor racisme zelden of nooit de term rassenhaat wordt gebruikt. Die term zou immers teveel doen denken aan het woord “ras” als een vermeende biologische variëteit van de soort Homo Sapiens. De term racisme is inderdaad veel breder en tegelijk veel vager. De term kan veel elastischer aangewend worden dan de term “rassenhaat”. Vlaams Belangers haten bv. geen Arabieren of moslims die in Mekka wonen, zij hebben enkel iets tegen Arabieren en moslims waarvan zij het gevoel hebben dat die hier de zaken naar hun hand willen zetten en de samenleving, al of niet vermeend, willen “islamiseren”. “Racisme” slaat bij het Vlaams Belang in wezen op de attitude dat het aantal vreemdelingen beperkt moet worden om de (volgens mij onvindbare, maar: soit!) Vlaamse identiteit te beschermen. Het “racisme” van het VB omvat echter veelal ook andere minderheden dan zuiver etnische die een bedreiging zouden kunnen vormen voor de toekomst van die Vlaamse volksaard, bv. holebi’s, “communisten”, drugverslaafden, et cetera (de term “identitair” voor iemand die de eigen aard en identiteit van zijn of haar volk of natie centraal stelt, wordt in Vlaanderen en België nauwelijks gebruikt, daar waar ze in Frankrijk gemeengoed is).

Antiracisme staat dan voor een politieke opstelling die spreekt over een “open samenleving” waar iedereen welkom is en die etnische en andere diversiteiten als een culturele verrijking beschouwt. Die diversiteitsvoorstanders vangen andere culturen dikwijls wel in een Catch 22. Van die andere culturen wordt namelijk verwacht dat ze zich integreren én tegelijk hun culturele eigenheid en hun “exotische” aard bewaren. Dat komt mij over als een “racistische” zienswijze: 1) mensen worden gereduceerd tot hun etnische achtergrond en “identiteit”, wat ik op zichzelf al een vorm van “racisme” vind; elk mens is altijd meer dan één identiteit, reden waarom ik mensen die absoluut “zichzelf willen zijn” masochisten noem: wat een zelfbeperking is het niet als je alleen maar “jezelf” wilt zijn en alle andere mogelijkheden als vreemde kankers ervaart, en 2) die Catch 22 duikt altijd op wanneer men de relatie “wij” versus “zij” (of “Ik” versus de “Ander”) polariseert (als twee – magnetische – polen tegenover elkaar stelt) en dan verwacht dat beide partijen in een dialoog homogeen en gelijk worden echter zonder dat één van de partijen zijn eigenheid moet opgeven. In een dergelijke opstelling verwacht men van de Ander een acrobatische lenigheid waarvan men goed weet dat men zelf niet in staat zou zijn ze aan de dag te leggen. Precies omwille van dat soort archaïsche scholastiek die me doet denken aan de middeleeuwse theologendiscussie over het geslacht der engelen, weiger ik mezelf te herleiden tot een specifieke identiteit en mezelf in die identiteit gevangen te houden. Soit!

Door het cordon sanitaire rond het Vlaams Blok/Belang is de Vlaamse samenleving zo sterk gepolariseerd geraakt: iemand die vertrekkend vanuit een andere invalshoek één van de in principe vele mogelijke genuanceerde tussenposities inneemt tussen de standpunten van het Blok/Belang en het radicale antiracisme riskeert in een publiek debat snel tussen twee stoelen te vallen en eieren en tomaten naar zijn hoofd gegooid te krijgen van beide van de twee gepolariseerde groepen.


Een kleine geschiedenis van xenofobie, vreemdelingenhaat & racisme

Racisme en vreemdelingenhaat zijn historisch gezien eigenlijk vrij recente verschijnselen. Bij primitieve stammen kent men het verschijnsel niet: vreemdelingen worden er doorgaans gastvrij ontvangen. De stammen voeren wel regelmatig oorlog maar snel daarop wordt in volledige verstandhouding de vredespijp gerookt. De talrijke vreemdelingen in de Griekse stadstaten hadden uiteraard geen volle burgerrechten omdat ze niet behoorden tot de “demoi” (stammen) die oorspronkelijk de stad hadden gesticht, maar nooit heb ik gelezen over sociale conflicten tussen de metoikoi (de lieden, meestal handelaars en ambachtslieden, die naast en tussen de oikoi – huisgemeenschappen – woonden) en de eigenlijke “autochtonen”. In de stedelijke landbouwsamenlevingen met reeds ontwikkelde handel was oorlog (bv. de oorlog tussen Grieken en Perzen) een zaak tussen legers en niet tussen volkeren. Aan de hoven van Oosterse vorsten kwamen geleerden van de meest diverse gezindten en religies bijeen om van gedachten te wisselen en de debatcultuur aan Oosterse universiteiten en hogescholen is ook vandaag in wezen veel levendiger dan bij ons in het Westen, ook over zoiets als de interpretatie van de Koran – de polarisatie tussen fundamentalistische (ultra)darwinisten en al even fanatieke creationisten met hun idee over een Intelligent Design is zo’n typevoorbeeld van het Westerse onvermogen tot verrijkende discussie. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de evangelisten Jezus na zijn geboorte zo snel mogelijk lieten bezoeken door drie Oosterse wijzen (de Driekoningen). Het Griekse woord barbaros (barbaar) werd gebruikt voor mensen en volkeren die geen Grieks spraken en “waarmee niet te praten viel”: het hield geen moreel oordeel en zeker geen veroordeling in van de zeden en gewoonten van die andere volkeren. De stad Rome, vermoedelijk gesticht door een bende vogelvrij verklaarden en outlaws, was om te groeien genoopt een groep maagden te roven bij een vreemde naburige stam nadat men eerst samen met hun vaders en broers gefeest en gedronken had (de Sabijnse maagdenroof). Het latere Romeinse Rijk was niet veel meer dan een militaire overheersing om bepaalde handelsstromen te beschermen (de keizer – Imperator – was in de eerste plaats opperbevelhebber van het leger). De Romeinen deden geen enkele moeite om in de gebieden die ze militair controleerden, de bevolking te “romaniseren”. Jezus werd enkel voor Pontius Pilatus gebracht onder de beschuldiging dat hij zich koning der Joden noemde en dus een militair/politieke bedreiging vormde voor de Romeinen, maar Pontius Pilatus wees deze beschuldiging af zodat Jezus in feite naar joods recht werd gevonnist. In het Midden-Oosten leefden tot de 20ste eeuw en de opkomst van het zionisme (en vooral de brutale wijze waarop in 1948 land werd vrijgemaakt voor de oprichting van de Staat Israël) joden, moslims, christenen en nog heel wat andere mengvormen vreedzaam naast elkaar. Hetzelfde  in de periode van de 9de tot ongeveer de 14de eeuw in het welvarende El Andaluz, het kerngebied van het Moorse in wezen “interculturele” Spanje (Andaloesië): diverse bevolkingsgroepen leefden er vreedzaam naast en door elkaar en de Arabische geleerden aldaar correspondeerden vrijelijk en vriendschappelijk met bv. Italiaanse christelijke theologen en geleerden en er waren ook veelvuldige directe contacten.

Tot het Moorse Spanje in de 14-15de eeuw definitief door de katholieke Reconquista werd vernietigd. De niet-katholieken werden massaal omgebracht of werden gedwongen het Spaans grondgebied te verlaten (bv. de Sefardische joden; de meeste joden die in de Lage Landen terechtkwamen hadden hun voorvaderlijke wortels in Spanje of Portugal, bv. Spinoza, wiens vader zelf nog per boot naar Amsterdam was gevlucht). Op soortgelijke wijze werd in dezelfde periode het welvarende, cultureel verscheiden maar hoogstaande Occitanië, het land van de Katharen (de Franse Provence), verwoest en platgebrand onder het mom van de strijd tegen de manicheïstische Kathaarse ketterij (ons woord ketter komt trouwens van het woord “kathaar”).

Het expansieve katholicisme en haar onvermogen afwijkende ketterse meningen te accepteren en in de schoot van de Kerk te integreren vormen eigenlijk de primaire bron van het ontstaan van vreemdelingenhaat en racisme in het Westen. Vreemdelingenhaat is tot de periode van het kolonialisme een typisch Westers fenomeen. Zo haatten Hutu’s en Tutsi’s elkaar eigenlijk niet in Rwanda tot de Tutsi’s met de onafhankelijkheid in 1961-1962 als niet onbelangrijke minderheid individueel en collectief op basis van het zogenaamd democratisch principe “één man, één stem” elke vorm van deelname aan de politieke besluitvorming werd ontzegd (het ACW – het overwegend Vlaamse Algemeen Christelijk Werkliedenverbond – mag als hoofdverantwoordelijke voor het uitstippelen van de politieke structuur van het onafhankelijke Rwanda heel heel fier zijn op de genocide die er finaal is uit voortgevloeid). Mag de apostel Paulus de eerste universalist zijn geweest die godsdienst en etnie van elkaar loskoppelde en het christendom hebben gepredikt als een godsdienst die open stond voor alle “natiën op aarde”, het katholicisme (een neologisme dat etymologisch is gevormd vanuit de Griekse zinsnede “kata holè” of “kat’holè”, wat betekent “voor het geheel van de wereld, voor iedereen”) ging al snel zichzelf interpreteren, niet als een godsdienst die open stond voor iedereen op deze wereld en door iedereen zonder onderscheid van geslacht, ras, klasse of afkomst beleden kon worden, maar als een godsdienst die iedereen hoorde aan te hangen op straffe van een veroordeling als zondaar of ketter en eeuwige verdoemenis in de rond de 11de eeuw heruitgevonden en geherdefinieerde dodenwereld zijnde de hel. De kerstening van heidense volkeren steunde dan ook op de idee dat die volkeren in staat van zonde leefden en in Gods ogen als minderwaardige mensen en volkeren moesten worden aanzien. De Bijbel van de Joden (bv. het boek Exodus) geeft eigenlijk reeds in haar monotheïsme een voorafbeelding van dit onverdraagzaam en expansief christendom: Jahwe verhief zijn mensen tot uitverkoren volk dat moest weerstaan aan de druk om andere goden te eren dan hemzelf en dat de opdracht kreeg bij andere stammen de godsbeelden die Jahwe onbevallig waren en zijn toorn opwekten, te verwoesten en stuk te slaan.

Daarbij kwam dat de kernlanden van West-Europa (Noord-Frankrijk, Engeland, de Lage Landen, het Duitsland rond de Rijn) zich rond het jaar 1000 stilaan begonnen te herpakken van het verval waarin ze waren terechtgekomen na de ondergang van het Romeinse Rijk. Zij waren op de hoogte van de welvaart die heerste in de landen rond de Middellandse Zee. Economisch waren ze nog niet in staat met deze landen te rivaliseren, maar militair wel. De enige manier om zich ook rijkdom toe te eigenen was dus roof. En om die roof te rechtvaardigen was het handig de eigenaars van die rijkdommen te bestempelen als een zondig volk waarin God geen behagen kon scheppen. Kortom: niet-christelijke volkeren waren inferieur. Op basis van dit procedé kon niet alleen de Reconquista op het Iberisch schiereiland tot een goed einde worden gebracht (althans vanuit het standpunt van de katholieke adel en geestelijkheid), maar werden ook Scandinavië en de landen rond de Oostzee (nu de Baltische staten) gekerstend en kon men zich meester maken van de drukke handelsroute tussen Scandinavië enerzijds en Constantinopel (Byzantium, nu Istanboel), de landen rond de Zwarte Zee en het Midden-Oosten anderzijds. Tevens werden meerdere Kruistochten naar het Heilig Land georganiseerd waarbij de Kruisvaarders zich onderweg en ter plaatse aan ongelooflijke wreedheden tegenover de bevolking overgaven. In dezelfde periode dook ook het idee op om de Joden systematisch te achtervolgen met de beschuldiging dat zij Christus’ dood op hun geweten hadden.

Maar dit opkomend antisemitisme had ook nog een andere wortel: de Joden controleerden in West-Europa de geldhandel (vandaar ons woord “geldjood”). Thomas van Aquino, de katholieke theologische gezaghebber, had in de 13de eeuw nog bevestigd dat christenen geen geld mochten lenen tegen interest (woeker). De joden nu beschikten als handelaars over geld én zij hoefden zich deze katholieke richtlijn niet aan te trekken. Met als gevolg dat heel wat stedelingen (en later ook mensen van het platteland; in Duitsland tot diep in de 19de eeuw), die via een geldelijke investering poogden een slag te slaan, bij joodse financiers in het krijt stonden. Dit economisch aspect van het antisemitisme, dat in de late Middeleeuwen opdook, vormde ook de basis van het virulente antisemitisme dat op het einde van de 19de eeuw Europa begon te overspoelen, veeleer dan het religieuze element van de schuld van de joden aan de dood van Christus. De industrialisering en de kapitaalsconcentratie plus de verstedelijking en de verpaupering die ze betekende voor veel plattelanders die naar de stad getrokken waren om werk te vinden, brachten enorm veel kleinburgers (kleine ondernemers en zelfstandige ambachtslui plus geschoolde werklieden) in economische onzekerheid. De grotere ondernemingen waren nu net in handen van joden of konden hun investeringen voor schaalvergroting en vervanging van geschoolde arbeid door machines en ongeschoolde arbeid doorvoeren op basis van veelal bij joodse bankiers geleend joods kapitaal (de Rothschilds en konsoorten). De rond 1900 populair wordende kreet dat Europa bedreigd was door een “samenzwering van joden, vrijmetselaars en communisten” kwam heus niet zo maar uit de lucht vallen.

Dit modern antisemitisme ontstond in de periode 1880-1900 in Frankrijk maar de Republiek was sterk genoeg om deze golf van antisemitisme (gesymboliseerd in de Dreyfus-affaire die Frankrijk rond 1900 jarenlang verscheurde) op te vangen en te keren. In Duitsland werd het jodenprobleem acuter toen in de jaren 1920, in de naweeën van de Eerste Wereldoorlog die Oost-Europa even erg trof als de IJzer- en Sommevlaktes en van de burgeroorlog in Rusland na de Russische Revolutie van 1917, massa’s veelal verpauperde Duits- of Jiddischsprekende Oost-Europese joden in Duitsland samenstroomden. Het is in die context dat de economische ondergrond van de Jodenhaat een aanvulling vroeg. Deze aanvulling werd dan de biologische rassentheorie van nazi-ideoloog Alfred Rosenberg, die het Arische volk en de Arische ziel gezond en wel verklaarde maar het joods lichaam en de joodse ziel en geest diagnosticeerde als verdorven, gedegenereerd en ziek. Waren de Franse intellectuelen er in de periode van de verstedelijking met al haar ellende en armoede van overtuigd dat hun eigen ras aan het degenereren was (de Franse bevolking nam in die periode af terwijl die in de andere Europese landen aangroeide), dan konden de Duitsers de ondergang van het Avondland projecteren op de joden en soortgelijke “luizen” zoals Hitler ze noemde (geesteszieken, gehandicapten, homoseksuelen, zigeuners, communisten, etc.). Duitsland beschikte bovendien sinds ongeveer 1910 over een performante chemische industrie (met Bayer als toonaangever) die producten maakte waarmee de luizen (zowel de echte luizen als de figuurlijke) effectief en relatief goedkoop verdelgd konden worden. Wat dan ook, na enige aarzeling, op nooit geziene schaal gebeurde. (Naar het schijnt geniet onze koning Leopold II de twijfelachtige eer in zijn Congo-Vrijstraat de eerste massale genocide van de moderne geschiedenis te hebben gepleegd: minstens 10 miljoen mensen zouden systematisch vermoord of van ontbering gestorven zijn ter wille van Leopolds lucratieve rubberhandel.)

De biologische rassenconceptie van Rosenberg was echter helemaal niet zo nieuw. Vandaar dat de biologische component ook beschouwd mag worden als de basis van het klassieke racismebegrip dat in wezen nog steeds bovenkomt bij echte racisten, zoals bv. bij het soort lieden die op een Ku Klux Klan-achtige wijze het blanke ras verheerlijken. Deze verheerlijking verbergt doorgaans wel een diepe angst dat het blanke ras bedreigd is en gered moet worden. Deze angst vind je veel minder in het meer Italiaans geïnspireerde in wezen niet-racistische fascisme zoals we dit terugvinden bij de Italiaanse futuristen à la Marinetti en ook bij Mussolini zelf en bij de Franse “joyeux fascistes” zoals de talentvolle schrijver Robert Brasillach (in 1945 geëxecuteerd wegens hoogverraad en collaboratie) en Maurice Bardèche, één der weinige Europeanen die meteen na de oorlog in 1945 nog openlijk durfde zeggen en schrijven “Je suis un fasciste!” en een boekhandel-uitgeverij dreef waar alleen fascistische geschriften konden worden gekocht, een uitgeverij die hij naar een roman van de genoemde Brasillach “Les Sept Couleurs” noemde.

Het klassieke biologisch geïnspireerde racisme steunde op twee elementen:
1) een duidelijke classificatie van de mensen op de aardbol binnen een eindige reeks van fysisch-antropologisch afgebakende rassen;
2) de fysieke, intellectuele en morele superioriteit van het blanke ras op basis van zijn biologische constitutie, m.a.w. de verschillende rassen konden niet alleen naast elkaar geclassificeerd worden, ze waren ook hiërarchisch ingedeeld; daarbij stond het blanke ras bovenaan en het negroïde ras, de negers dus, het verst onderaan.

Voor de klaarste formulering van een dergelijke biologische racismetheorie kunnen we in de leer gaan bij de grote Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804). Immanuel Kant was namelijk ook antropoloog (en overigens ook kosmoloog!). Kant werkte zijn rassentheorie uit na een periode waarin het blanke Westen, via de ontdekkingsreizen en doorgaans met geweld, kennis had gemaakt met de meest vreemde volkeren (waaronder hier en daar ook kannibalen) op de meest afgelegen continenten van de planeet en op de verst verwijderde eilanden rond deze continenten. Zoals ook gebeurd was met fauna en flora werden deze volkeren dan “wetenschappelijk” benoemd, geclassificeerd en in kaart gebracht. Kants rassentheorie moet gezien worden als een rechtvaardiging van het kolonialisme en het imperialisme van de Europese naties en in het bijzonder van de winstgevende slavenhandel van West-Afrika naar Amerika. Vandaar ook dat de negers onderaan de ladder staan in Kants antropologie.

Een belangrijk bijkomend element dat niet zozeer het racisme maar wel de xenofobie in de hand werkte was de natievorming die zich vanaf ongeveer 1500-1600 in Europa voordeed. Met de Franse Revolutie werden deze Naties duidelijk afgebakende territoria met een bevolking die ofwel de betreffende nationaliteit bezat ofwel een vreemdeling werd. M.a.w. bewaakte grenzen met douanes; de noodzaak een paspoort te bezitten om van het ene land naar een ander te reizen; et cetera. De Naties verwachtten en eisten dat hun inwoners “de Natie lief hadden”, wat positief werd geduid als patriottisme en (na het drama van het 20steeeuwse fascisme, nationaalsocialisme en de Tweede Wereldoorlog) negatief als nationalisme. De Natievorming bracht ook met zich mee dat de bevolking geacht werd zich niet in te laten met bizarre lieden die de Natie “niet of verkeerdelijk liefhadden” en de cohesie van de Natie in gevaar brachten, van geesteszieken tot politiek subversieve elementen zoals anarchisten, et cetera. De bevolking werd dus geleerd “eigen volk” te onderscheiden van zowel allochtone als autochtone “volksvreemde elementen”. De Natievorming ligt zo aan de basis van het onderscheid wij/zij en Ik/Ander. Niet te verwonderen dat niemand goed raad wist met de bekende kreet van de ziener-dichter Arthur Rimbaud “JE est un autre!”.

We vermelden tenslotte een zelden vernoemd historisch element dat o.i. een belangrijke basis vormt voor een volkse xenofobie die in bepaalde Europese regio’s, waaronder precies onze Lage Landen, nog steeds werkzaam is. In tegenstelling tot Zuid-Europa waar grond werd bebouwd rond het dorp of stadje waar men woonde en waar de boeren dus ook eigenlijk stedelingen waren, werd in de Lage Landen (maar ook in Duitsland en Polen bijvoorbeeld) heel wat grond in versnipperde vorm verpacht aan keuterboeren. Met andere woorden, heel wat gezinnen en singles leefden afgezonderd en afgelegen. Afgelegen wonen impliceerde vanzelfsprekend een kwetsbaarheid voor rovers en inbrekers. In die context is het sociaalpsychologisch vanzelfsprekend dat men achterdocht koesterde jegens onbekenden en vreemdelingen. Met de individualisering van de samenleving in de (post)industriële maatschappijen na WO II en vooral met de elk-voor-zich mentaliteit die het neoliberalisme vanaf ongeveer 1985 in het hart van de nieuwe generaties heeft gepland, zijn mensen (en gezinnen) tegenwoordig ook psychisch geïsoleerd en veelal op zichzelf (en op de televisie) aangewezen. Mensen zijn onnoemelijk kwetsbaar geworden en worden vergeleken met voorheen effectief ook eerder door hun medemensen fysiek en psychisch aangevallen (toename van agressie in velerlei vormen zowel in het openbare leven, op het werk als in het privéleven; verharding van de samenleving).

Oef! Nu we ons ontlast hebben van deze historische achtergrondschets kunnen we wat dieper ingaan op de hedendaagse xenofobie en het hedendaagse “racisme”. Misschien kunnen we dan namelijk de vraag beantwoorden in hoeverre deze xenofobie als racisme kan worden geduid. En we kunnen ook een niet vooringenomen analyse maken van de “extreemrechtse” islamofobie van het Vlaams Belang. Maar niet alleen van het Vlaams Belang, ook van het linkse nationalisme van de Duitse Die Linke dat we overigens ook terugvinden in de politieke opstelling van de Nederlandse Socialistische Partij SP van Jan Marijnissen en in België en Vlaanderen in het niet van de grond komende Comité voor een Andere Politiek CAP. Een CAP dat misschien niet van de grond komt omdat haar “natuurlijke” doelgroep reeds onderdak heeft gevonden in dat extreemrechtse Vlaams Belang.

Ter afsluiting: Klassiek wordt in de 20steeeuwse sociologie en sociale psychologie het racisme als “attitude” of vooroordeel geanalyseerd als bestaande uit drie componenten:

1. een cognitief-intellectuele component: de met anderen binnen de eigen gemeenschap gedeelde overtuiging dat alle leden van één of meerdere andere gemeenschappen vanuit hun “(biologische of culturele) aard” bepaalde eigenschappen hebben die hen ongeschikt maken om erkend te worden als gelijkwaardige wezens die mogen genieten van de grondwettelijk gewaarborgde burgerrechten en van bescherming vanwege de Staat en de overheden; de fysieke of morele inferioriteit die toegeschreven wordt aan deze gemeenschap, maakt dus deel uit van een soort min of meer uitgewerkte en zowel mondeling als schriftelijk overgedragen “theorie”. Daarbij komt echter dat deze overtuiging bij de overheden (zowel de politieke als de intellectueel-culturele) als wetenschappelijke onzin geboekstaafd staat, wat precies de basis vormt voor elke antiracismewetgeving. Volgens de officiële of dominante ideologie zijn racistische denkbeelden daarom “irrationeel”. Mensen die racist of fascist worden (of zelfmoordterrorist of om het even wat of die zeggen: “Politiek interesseert me niet”) hebben echter wel degelijk hun redenen voor hun denkbeelden of acties. Het is niet omdat wij of de officiële ideologie deze redenen ongegrond vinden, dat deze mensen meteen “irrationeel” of “onredelijk” worden. Het is (politieke) macht en niet redelijkheid die toelaat anderen te veroordelen wegens “onredelijkheid”. Maar het is altijd een vorm van dom machtsgebruik om de redenen die mensen aangeven, niet ernstig te nemen, te negeren en ongegrond te verklaren.
Opgemerkt moet worden dat het racisme intellectueel een zekere paradox vertoont: de geviseerde gemeenschap wordt als inferieur gekenmerkt maar tegelijk is deze overtuiging een antwoord op het gegeven dat men niet kan ontsnappen aan de indruk dat deze gemeenschap te machtig is. Het moderne antisemitisme steunde precies op de waarneming dat de joden veel te veel (economische) macht hadden en het uitzicht van de samenleving meer konden beïnvloeden dan de modale niet-joodse burgers. Ook de actuele islamofobie gaat uit van de overtuiging dat moslims in de feitelijkheid het samenlevingsgebeuren veel te diepgaand beïnvloeden en feitelijk meer macht hebben dan wat op basis van hun aantal billijk zou moeten zijn.

2. een affectief-emotionele component: het waarnemen van de verwerpelijke kenmerken bij een andere daardoor als discriminatiewaardig beschouwde gemeenschap gaat gepaard met een gans palet van negatieve gevoelens: angst, viscerale afkeer, minachting, woede, enz.; doorgaans gaan deze gevoelens gepaard met (op andere momenten geuite) positieve emoties met betrekking tot de eigen gemeenschap: trots, enthousiasme, fierheid, emotionele betrokkenheid bij bv. sportprestaties van leden van de eigen gemeenschap, et cetera; ik schrijf “doorgaans”, want in heel wat gevallen zit racisme gevat in een algeheel cultureel onbehagen, ressentiment en pessimisme en in een diep geworteld gevoel (of besef) van globaal beschavingsverval.

3. een gedragscomponent: de geneigdheid en bereidheid om zekere acties te ondernemen om de inferieure gemeenschap of leden ervan op hun plaats te zetten, gaande van het stemmen op partijen die beloven de door de geviseerde gemeenschap veroorzaakte problemen resoluut aan te pakken tot directe agressie tegen leden van de geviseerde gemeenschap (bv. het in brand steken van de woning van leden van de betreffende gemeenschap).

Deze analyse van racisme klinkt heel mooi maar het reële racisme is veel complexer en heel dikwijls gekleurd met persoonlijke elementen op basis van persoonlijke ervaringen. Zo heeft geen enkel mens die stelt dat zigeuners dieven zijn, er moeite mee om toe te geven dat er ook goeie zigeuners zijn die alle respect verdienen. Centraal staat in het racisme volgens mij dan ook niet zozeer het intellectuele vooroordeel m.b.t. de leden van een bepaalde gemeenschap, maar het totale onbegrip en de pertinente weigering welk begrip dan ook op te brengen voor de reden waarom sommige leden van de geviseerde gemeenschap de desbetreffende verwerpelijke eigenschap vertonen. Het probleem van de Roma-zigeuners, dat rond 2005 in Europa opdook (vooral in Italië, en dit vanwege de verwantschap tussen de Italiaanse en de Roemeense taal), is zomaar niet uit de lucht komen vallen. De Roemeense zigeuners hadden de hoop gekoesterd dat hun situatie van volkomen discriminatie in het postcommunistische zogenaamde democratische Roemenië van de jaren 1990 significant zou verbeteren. Effectief stuurden zij hun kinderen naar school zodat ze met een diploma perspectieven zouden krijgen op de reguliere arbeidsmarkt in plaats van te moeten stelen en zich over te geven aan andere criminele activiteiten. De zigeuners moesten na 10 jaar echter vaststellen dat hun situatie er helemaal niet op verbeterd was, integendeel eerder.

Het is in de context van dergelijk onbegrip en weigering om te begrijpen dat een minderheid tot zondebok kan verworden waarbij de minderheid wordt afgerekend op ervaren onrechtvaardigheden waarvoor ze op geen enkele manier verantwoordelijk zijn.

Zo. Nu kunnen we een namiddag naar adem happen in de zonnige buitenlucht en de nodige energie opdoen om finaal de hedendaagse relatie tussen nationalisme, racisme en socialisme te situeren. Toch nog als laatste wuiving dit voorbeeldje van subtiel maar dagelijks terugkerend racisme, eigenwaan, arrogantie en minachting voor de ander. Hoorde ik namelijk de zichzelf altijd overtreffende Indra Dewitte net niet op De Zevende Dag aankondigen dat Europees commissaris Karel De Gucht Raoul Castro (de broer van Fidel, die na diens ziekte de Cubaanse regering leidt) de les heeft geleerd. Ik meen het goed verstaan te hebben: ik zal het vanavond natrekken als De Zevende Dag herhaald wordt (al worden bij de herhaling de tussenberichten en aankondigingen meestal gewist; OK: Indra Dewitte zei niet “de les geleerd”, maar “de les gelezen”, het komt op hetzelfde neer). In het daaropvolgend interview met de Euro-commissaris geeft De Gucht echter net aan dat hij zich heeft moeten beheersen om geen communist te worden. Kortom: De Gucht zal meer geleerd hebben van Raoul Castro dan omgekeerd. Dat lijkt me als je hun leven en de daarbij horende ervaringen vergelijkt, ook de logica zelve. En de Cubanen hebben niet die onhebbelijkheid om op hun televisie De Gucht op te voeren als iemand die ze “de les hebben gelezen”.

Arm Vlaanderen! Als er dan een gemeenschap is jegens dewelke ik racistische gevoelens koester, dan is het wel de zogenaamde “Vlaamse gemeenschap”, die gelukkig niet bestaat. Maar voor alle zekerheid zal ik daarom ook als ik Brussel verlaat, niet in Gent, Antwerpen of Mechelen gaan wonen. Nee, zoals Brussel, aan de buitenste rand van Vlaanderen zodat je in alle opzichten zo snel mogelijk kunt uitwijken. Het is aan die rand dat er gelukkig ook een zeker gezond kosmopolitisme heerst. Zo gezond dat Oostende en ook Brussel zo te zien weinig last hebben van die ingevoerde varkensgriep. Hoera!

Als we onderstaande versie van Darwins evolutietheorie volgen, is het trouwens vrij evident dat we geplaagd worden door varkensgriep en niet door vogelgriep of kabeljauwgriep. Haha! Ik vaccineer me straks wel met een ferme schuimende Leffe Radieuse!

[7-8 november 2009; wordt vervolgd]


Godelievewijn

08/11/2009


[Godelievewijn is een goedkope (ik kocht vandaag in een Brusselse Delhaize een 75 cl fles voor amper 3 euro) maar smaakvolle, zoete en toch pittige kinawijn met een vrij hoog alcoholgehalte die in West-Vlaanderen zeer populair was/is als versterking voor oudere mensen met een zwakke gezondheid. De wijn werkt als een vaccin tegen de Vlaamse griep en tegen ziekelijke godsdienstigheid, maar wordt jammer genoeg niet terugbetaald door de ziekenfondsen en het RIZIV. De Heilige Godelieve leefde trouwens in Gistel, West-Vlaanderen, waar zich in een klooster nog steeds een waterbron bevindt die geroemd wordt voor haar heilzame kracht. Godelieve werd door haar echtgenoot vermoord en in een waterput gegooid omdat ze zich liever gaf aan God dan aan een man aan wie ze tegen haar zin was uitgehuwelijkt.]

Zou ik durven zeggen
dat ik van gordijnen houd
van mijn bloedeigen gordijnen
als ik iemand voor ogen heb
wiens naam ik helemaal niet ken

Omdat ze naamloos is zoals
de fles wijn die klatert in mijn hoofd
en ongevraagd geesten vrijlaat die
met het mes in de hand
de cipiers belagen die wijken

En wiens stem ik niet verdragen kan
wanneer ze zeurt en leutert
over mijn aankomende tweede jeugd
de mode en de callgirls à la Tom Lanoye
die signeert op de Boekenbeurs

Ook op woensdag vanaf 22 uur
en de volle vervelende donderdag
rijden treinen je het ganse land rond
ze hangen je geliefkoosde gordijnen
voor het raampje je hoort haar stem niet

Haar naam verdorie is Godelieve

[zondag 8 november 2009 – 3.07 a.m.]


Een Paar Woordjes over Racisme [part I]

07/11/2009

[detail]

Een paar woordjes over racisme. Over racisme?

Is daar niet alles over gezegd? Nee, ik heb eerder de indruk dat er, in Vlaanderen dan toch, in de 21ste eeuw nauwelijks iets deftigs over racisme is gezegd. Toch niet over het 21ste eeuwse racisme, in zoverre de term wel geschikt is ter aanduiding van zekere eigentijdse socialogische en sociaal-psychologische fenomenen waarbij bepaalde bevolkingsgroepen verworden tot “ingesloten uitgeslotenen”. Inclusieve exclusie (insluitende uitsluiting), zoals de term internationaal luidt, is hier hooguit bekend bij een aantal academici bij wie je, niet alleen in deze materie trouwens, je een grote kloof kunt onderkennen tussen hun geleerde geschriften in vakbladen waarin ze alle wereldvreemde intellectualistische registers opentrekken en het in wezen aftands perspectief  waarbinnen ze deze materies verwoorden wanneer ze bv. in een krant een “vrije tribune” krijgen of zichzelf uitnodigen om een “Open Brief” te schrijven.

Twee recente gegevens hebben me doen nadenken over het “racisme” anno 2009:

1.

In de ochtend van 13 september, ongeveer 2 maanden geleden dus, las ik, na het bekijken van de dramatisch afgelopen halve finale van de US Open tussen Kim Clijsters en Serena Williams, op het Sporza-forum ook de commentaren van kijkers op die andere finale tussen “onze” Yanina Wickmayer en de Deense Caroline Wozniacki. Daarbij kwam ik tot mijn grote verbazing oog in oog te staan met volgende comment: “Wozniacki: dat is toch geen Deense naam?” Ik heb afgeleerd (maar mijn leerproces is nog niet afgerond) op dat soort dwaasheden van typische Vlaamse enggeestigheid te reageren. Maar ik had al flink wat bier of wijn gedronken om wakker te blijven voor de match Clijsters-Williams die pas om 2 uur ’s nachts (onze tijd) werd gespeeld. Zo kwam het dat ik niet kon nalaten zelf snel ook een repliek op dat forum te plaatsen. “Meneer X. Y., niet alle Polen die in de 20ste eeuw emigreerden, zijn in Limburg terechtgekomen hoor. Er zijn er ook die naar Denemarken zijn getrokken, een land dat trouwens vanuit Polen niet zo moeilijk te bereiken is. En meneer, is Wickmayer wel een Vlaamse naam? Vermoedelijk denkt u dat de naam Erik Eriksson een Deense naam is. Wel ik moet u teleurstellen: dat is een Noorse naam!” En ik voegde er ter attentie van de VRT-webmaster aan toe dat ik het vreemd vond dat in mijn ogen racistische en bovendien dwaze uitlatingen van het genre: “Wozniacki: dat is toch geen Deense naam?” zo maar op dat forum komen terwijl interessante kritische bemerkingen steevast gecensureerd worden (ik kan erover meespreken; gelukkig was ik nooit eerder actief geweest op het Sporza-forum, anders was mijn repliek nooit geplaatst geweest). Want die meneer X. Y. beweert toch eigenlijk maar dat iemand die Wozniacki heet, het recht ontzegd zou moeten worden de Deense nationaliteit te hebben. En dat zo’n bastaardwezen zeker niet het recht mocht hebben onze oer-Vlaamse Wickmayer te beletten om door te stoten naar de finale van die US Open (wat dan een Belgisch-Belgisch finale zou geworden zijn: Olé! Oei, “olé”, dit is Spaans).
De vraag is nu: is de comment van die meneer over de on-Deense naam en persoonlijkheid van Caroline Wozniacki eigentijds racisme? Btw: Wickmayer en haar entourage bezondigen zich wel graag aan deze vorm van “racistisch” en in ieder geval “etnisch” denken. In een reactie op haar schorsing van één jaar wegens het niet naleven van de whereabout-regels, liet Wickmayer gisteren weten dat een beroep bij het international sporttribunaal in Lausanne (de TAS) weinig hoopgevend is: “Je moet in Lausanne aan een Zimbabwaan en een Argentijn een Vlaams decreet gaan uitleggen!” Voor dat soort uitspraken alleen al mag Wickmayer voor mijn part nog een jaartje extra geschorst worden: alsof het lezen van een Vlaams decreet de intelligentie van een neger of een latino te boven zou gaan. Die uitspraak impliceert ook dat Zimbabwanen en Argentijnen te dom zijn om op een tenniscourt te staan. Stel je voor: Wickmayer die op een tornooi tegen een Zimbabwaanse moet spelen! Is het dit dat bedoeld wordt wanneer vader Wickmayer zegt dat hij na de schorsing geen goesting heeft om zijn dochter (nochtans meerderjarig btw!) kleine “10.000 dollar” tornooien te laten spelen. Hier mocht het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding eens zijn stem laten horen, vind ik. Die ganse herrie rond de schorsing van Wickmayer hangt me omwille van de ongelooflijke en uiteraard door quasi niemand geziene hypocrisie al meteen de keel uit en voor één keer kan ik Yves Desmet perfect volgen dat hij deze hypocrisie in zijn Edito compleet doorprikt. Zelfs de overleden moeder van Wickmayer wordt er bij gesleurd alsof men haar grafzerk met hakenkruisen heeft besmeurd.
Drie dingen vallen me op in de affaire Wickmayer/Malisse:
a) De lieden die het Vlaams decreet geschreven hebben, net met de bedoeling zondaars te bestraffen, roepen nu moord en brand. Ex-minister van Sport Bert Anciaux, sportdokter Chris Goossens, de echte vader van het decreet, etc.: ze staan nu te huilen dat de uitspraak van het Vlaams Doping Tribunaal getuigt van onmenselijkheid en dat het decreet beoogde mensen te beschermen tegen doping en niet mensen te treffen. Dikke zever: de geest van het decreet is altijd repressief van aard geweest en juist de mogelijkheid tot effectieve sancties in plaats van symbolische veroordelingen werd destijds door iedereen toegejuicht, ook door politici als Caroline Gennez die nu op de kar springen om een graantje sympathie van de rouwende bevolking mee te pikken en die het decreet Medisch Verantwoord Sporten wereldvreemd noemen. De ganse klasse van BV-vriendjes wordt nu opgetrommeld opdat de wet niet zou toegepast worden voor Wickmayer.
b) En dit is meteen het tweede punt: deze zaak wekt zoveel (geveinsde) verontwaardiging op omdat het om BV’s gaat. Was donderdag Piet Snot twee jaar geschorst geweest omdat hij driemaal zijn whereabouts niet had ingevuld, dan had men simpelweg gezegd: Eigen schuld, dikke bult. Bert Anciaux schrijft op zijn blog: “Een sporter van haar kaliber mag niet op deze manier worden gepakt.” Pardon? Kaliber? Anciaux vindt dus dat de regels alleen gelden voor kleine garnalen maar niet voor BV’s. Dat alle Belgen gelijk zijn voor de Wet, weet hij blijkbaar ook niet. Nochtans heeft hij rechten gestudeerd en is ie advocaat geweest. Maar ja, ik moet toegeven: het is een Vlaams decreet en nergens staat geschreven dat ook alle Vlamingen gelijk zijn voor de Wet. Politici: kun je deze kontlikkers van al wat populair is of populair heet te zijn, deze nepbedelaars voor een paar stemmen en voor een foto in de krant of 10 seconden op tv, kun je dit soort lieden eigenlijk nog wel politici noemen? Want deze lieden zoals Bert Anciaux pleiten hier, als “socialist” dan nog, voor onverbloemde klassenjustitie: wie BV is hoort de Wetten niet na te leven en zal niet bestraft worden! Dit zijn de zwartste dagen voor de democratie die ik ooit heb meegemaakt, de zwartste omdat het hier ogenschijnlijk maar over “sport” gaat.
c) Ten derde schermt iedereen er nu mee dat sporters, en Wickmayer, Malisse en Sugar Jackson in het bijzonder, moeite hebben met regels en dus soms slordig omgaan met die whereabouts. Tiens tiens: moeite met regels? Hebben ze dan ook moeite met de regel om geen doping te nemen? En ik vermoed dat ze in ieder geval geen moeite hebben met de regel dat het prijzengeld op tijd wordt uitbetaald.
Enfin: gelukkig gebeurt er morgen weer een andere ramp in dit land en is iedereen Yanina en haar vriendjes al lang vergeten. Vlaanderen heeft weer eens kunnen rouwen en dat doet het zo graag: medelijden hebben met mensen waarvoor men zelf een val gespannen heeft. Ik lach me een kriek. Wickmayer: twee jaar schorsing plus (nu het hier toch eigenlijk over racisme gaat) een verplicht bezoek aan Breendonk en Auschwitz zodat ze eens goed weet hoe het haar etnie- en rasgenoten verging. (En deze twee locaties hoeft ze niet eens in te vullen op haar whereaboutsformulieren.) Een Zimbabwaan en een Argentijn, haha, da’s wel een goeie “unforced error”, deze! Tenslotte nog dit: ik leid uit de nieuwsberichten ook af dat de Vlaamse journalistiek woede niet langer als een emotie beschouwd. “De vader van Yanina Wickmayer reageerde afwisselend emotioneel en woedend.” Tiens, tiens!

2.

Naar de aanloop van de Duitse parlementsverkiezingen van 27 september merkte ik dat de Duitse links-linkse partij Die Linke, die met hun succes hopen de Duitse sociaaldemocraten te verplichten om te kiezen tussen een linkse herbronning en de complete verdwijning, xenofobe trekjes etaleerde. Het is geweten dat in Oost-Duitsland zowel neonazi’s allerhande maar ook militanten van Die Linke niet bepaald mals zijn voor Polen en andere Oost-Europeanen die in het oosten van Duitsland hun brood komen verdienen. Maar ook sommige leiders en verkiezingskandidaten van Die Linke waren niet vies van xenofobe uitspraken. Een linkse partij die gewone, dikwijls ongeschoolde, arbeiders en mensen in het algemeen als doelgroep en electorale basis heeft, houdt dus meteen de troef van het nationalisme en de vreemdelingenhaat achter de hand?
Is dat niet het proces waarbij in Vlaanderen reeds in de jaren 1990 grote aantallen traditioneel socialistisch stemmende gewone lieden de Socialistische Partij in de steek lieten en naar het Vlaams Blok (nu Vlaams Belang) overstapten, waaronder zelfs heel wat syndicaal afgevaardigden van de toch als links bekend staande socialistische vakbond ABVV (een proces waarbij de Socialistische Partij – nu sp.a - meteen tot de dag van vandaag verweesde tot een zwalpende partij van middle class people en van B.V. ‘s die zich presenteren als “sociaal bewogen”)? Die overstap naar het Vlaams Blok/Belang vond zijn oorzaak niet in de aantrekkingskracht van de mythe van een Onafhankelijk Vlaanderen, maar precies in de dreiging die uitging en uitgaat van de steeds talrijker wordende migranten en buitenlanders die “onze jobs afpakken” en “gaan lopen met voor ons bedoelde gelden van de OCMW’s, met werkloosheidsuitkeringen zonder ooit gewerkt te hebben, et cetera”. Xenofobie, racisme of gewoon plat maar goed begrijpbaar en menselijk al te menselijk egoïsme? De hooggeschoolden konden het zich vanzelfsprekend veroorloven de moreel superieure antiracist te spelen: hun jobs waren niet bedreigd!
Kortom: moet een (links)socialistische partij of politieke beweging een flinke dosis xenofobie laten horen wil ze met succes een brede aanhang verwerven onder de “gewone mensen”? Is bij afwezigheid van een sociaal functionerend supranationaal geheel (Europa, UN) het socialisme verplicht nationalistisch en dus nationaal-socialistisch te worden, wil ze nog een breed electoraat bekoren?

Enfin. Soit.

Inclusieve exclusie, zeiden we dus. Het lijkt een moeilijk begrip, vergeleken met racisme, xenofobie en vreemdelingenhaat. Nochtans is insluitende uitsluiting niet zo moeilijk om uit te leggen en het is bovendien precies wat er met onze migranten en allochtonen gebeurde en gebeurt. Deze groepen worden min of meer doorheen onaangepast onderwijs en een door “inboorlingen” afgeschermde reguliere arbeidsmarkt uitgesloten van redelijke kansen op een kwaliteitsvol leven. Maar precies door deze uitsluiting worden ze via allerlei begeleidende “emancipatie”projecten ingesloten binnen ons maatschappelijk bestel. Precies omdat ze uitgesloten zijn ze functioneel voor bepaalde andere rijkere of beter geschoolde inboorlingen die hun insluiting (“integratie” of “inburgering”) op zich nemen. Het is triestig om zeggen maar eigenlijk is de zogenaamde integratie van migranten et cetera een tweede fase nadat ze eerst bewust en systematisch als uitgeslotenen zijn geproduceerd geworden. Het uitreiken van tijdelijke maar soms wel eeuwig verlengde arbeidskaarten aan vreemdelingen komt in wezen neer op een georganiseerde productie van “uitgeslotenen”. Als werknemers staan deze werknemers immers niet op dezelfde voet als onze “eigen” reguliere arbeiders en bedienden. Het lijkt me veel simpelder, logischer en sociaal rechtvaardiger klaarheid te scheppen en die ganse grijze zone tussen reguliere Belgen en illegalen op te ruimen zodat een veel zuiverdere maatschappelijke realiteit ontstaat. In onze visie zou het veel eleganter zijn alle vreemdelingen die men aantrekt en die de toelating hebben gekregen binnen het bestel actief te zijn (werk zoeken is al een vorm van actief zijn) meteen als volwaardig burger te accepteren in plaats van hem eerst te vangen in een duister juridisch of psychologisch statuut van “vreemdeling” of “buitenstaander”, m.a.w. hem uit te sluiten, om hem daarna via allerlei “emancipatorische” projecten en initiatieven in te burgeren.

De inclusieve exclusie of exclusieve inclusie (uitsluitende insluiting en insluitende uitsluiting is in wezen hetzelfde verschijnsel) wordt echter precies toegepast omdat ze grote aantallen “inboorlingen” goed uitkomt. Een gans gamma “inboorlingen” leeft ervan: van sociale assistenten die ingelijfd zijn in “emancipatieprojecten” en leerkrachten die ingeschakeld worden om te voorzien in “inburgeringstrajecten” voor asielzoekers, tot werkgevers – in de horeca bv. – die blij zijn dat ze mensen in het zwart kunnen tewerkstellen en dus kunnen aantrekken of dumpen naargelang het hen goed uitkomt. De inclusieve exclusie staat garant voor de bloei van een gevarieerde resem aan industrieën en dienstensectoren. De insluitende uitsluiting is inderdaad een fenomeen dat niet de ganse samenleving bestrijkt, maar alleen de onderkant. Een Amerikaanse, Britse, Zweedse, Indische of Nieuw-Zeelandse manager van een multinational in Brussel moet niet geïntegreerd of ingeburgerd worden want hij is nooit uitgesloten geweest. Volgt hij een taalbad in Spa, dan is dat een vorm van vrijetijdsbesteding. Krijgt een Afghaanse asielzoeker taallessen opgelegd, dan wordt dit plots “inburgering”. Die Afghaan is immers eerst in die grijze zone tussen burger en illegaal geplaatst geworden.

En het is die grijze zone die verklaart waarom er binnen de werknemersgroep, vooral bij de kwetsbare laaggeschoolden en lagere middenklassen, zo’n wantrouwen bestaat t.o.v. semilegale en in het zwart werkende buitenstaanders die immers, ongeacht hun “ras”, “etnie” of “huidskleur”, een permanente bedreiging vormen voor de officieel geldende lonen en de arbeidsvoorwaarden waar de sociale partners ieder jaar lang en hard over onderhandeld hebben. Het is die grijze zone die er ook medeverantwoordelijk voor is dat zoveel allochtonen zich op het criminele pad begeven, want het criminele pad heeft sneller en met minder inspanning dan een semilegale job toegang tot de nagestreefde levenskwaliteit. En die grijze zone verklaart daarom dus ook dat bepaalde categorieën vreemdelingen niet bepaald geliefd zijn en voorwerp worden van “racistische” behandeling door de inboorlingen én door de volwaardige ingeburgerde vreemdelingen. Want maak je geen illusie over de solidariteit binnen een etnische gemeenschap. Eerst en vooral zijn die etnische “gemeenschappen” artificieel en door ons gemakshalve als dusdanig afgebakend op grond van de nationaliteit of de etnie, alsof bv. alle Polen in België een “Poolse gemeenschap” vormen. Jandorie, de Brusselse Vlamingen of Vlaamse Brusselaars hebben, buiten de rijkere Dansaert-Vlamingen, zich sociologisch gezien nooit tot een levendige gemeenschap ontwikkeld, wat zouden de Polen van Krakau dan elke avond samen gaan kaarten met deze van de streek rond Gdansk? Wij kunnen Polen van Albanezen onderscheiden en dus hebben we in België een “Poolse gemeenschap” en een “Albanese gemeenschap”. Maar Peruanen kunnen wij niet onderscheiden van Bolivianen, dus hebben wij een “Latijns-Amerikaanse gemeenschap” waar de Brazilianen dan weer geen deel van uitmaken. Want, Brazilianen met hun Rio de Janeiro en hun karnaval: dat is een “ras” apart. Verder moet je maar eens checken hoe minachtend en misprijzend de meeste universitair geschoolde Marokkanen neerkijken op de Molenbeekse werkloze Marokkaanse jongeren. Etnie is hoegenaamd geen waarborg voor etnische solidariteit, net zoals de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog geen homogene groep vormden: in veel gevallen wezen joodse notabelen de Duitsers aan wie binnen de joodse gemeenschap “in aanmerking kwam” voor deportatie naar de concentratiekampen. Maar ja: “Waarover men niet spreken mag, hoort men te zwijgen!” om Wittgenstein te parafraseren.

Kortom: inclusieve exclusie is verre van identiek aan het klassieke racisme zoals het antisemitisme dat beoogde een bepaald ras te liquideren. Het is evenmin identiek aan de Apartheid zoals de USA en Zuid-Afrika die hebben gekend. Inclusieve exclusie is een vorm van uitsluiting en “uitburgering” waarbij die uitsluiting zelf de basis vormt voor de insluiting (“integratie”, “inburgering”). Ongetwijfeld zijn er in Vlaanderen en België mensen die de vreemdelingen zouden willen “liquideren” (en masse het land uitzetten). Maar dit is niet de conditie waarin de “ingesloten uitgeslotenen” leven. De inclusieve insluiting is gebaseerd op een vrij complexe verwevenheid van ingesloten en uitgesloten groepen. De aanwezigheid van een grote groep “ingesloten uitgeslotenen” vervult diverse functies. Ik beperk mij ertoe er een paar op te sommen:

1. In de eerste plaats vullen zij gaten in de economie en op de arbeidsmarkt. Meer in het bijzonder leveren zij goedkope arbeidskracht binnen de diverse circuits van de parallelle zwarte economie waar achter de schermen doorgaans mee aan de touwtjes wordt getrokken door figuren die deel uit te maken van de landelijke autochtone elite.

2. Zoals reeds gezegd, laat de insluitende uitsluiting toe een ganse laag van mens- en maatschappijwetenschappelijk opgeleiden toe niet alleen hun boterham met aalbessenconfituur te verdienen als medewerker in “integratieprojecten” (die, op een aantal uitzonderingen na, eigenlijk nep zijn) maar zich tegelijk ook op te werpen als de herders en de hoeders van de uitgeslotenen. Dikwijls vormen deze projecten zelf een bijkomend element van het geheel van de complexe discriminatiepraktijken, de stigmatiseringen en het permanent gebruik van twee maten en twee gewichten. Het klinkt cynisch maar in wezen is het dagelijkse realiteit dat men in plaats van rechtstreeks jobs te geven aan werkloze allochtonen men jobs creëert voor uitsluitend autochtonen die dan moeten onderzoeken waarom die allochtonen geen jobs hebben. De insluitende uitsluiting verwerkelijkt zich precies in de tewerkstelling van massa’s mensen die instaan voor de “begeleiding”, “emancipatie”, “integratie” en “activering” van sukkelaars die door het systeem zelf tot sukkelaars zijn gemaakt.
Dit mechanisme van inclusieve exclusie zal nu ook toegepast worden in het domein van de armoedebestrijding. De beleidsplannen spreken van een overgang van “armoedebestrijding” (een bestrijding die er nooit is geweest, integendeel: alles is gedaan om zoveel mogelijk armen te produceren) naar “armoedebegeleiding”. Werk en toekomst verzekerd voor een ganse laag niet-armen die zich als Nietzscheaanse priesters kunnen presenteren als “sociaal bewogen zorgverstrekkers” en armen in groepjes kunnen samenbrengen om samen soep te maken onder het motto “armoede is geen kwestie van geld, maar van erbij horen” (uitspraak in het VRT-journaal van een Gentse armoedeprojectleider nota bene op de dag en ter gelegenheid van de Werelddag tegen de Armoede, twee jaar geleden).  

3. Het is voor de Elite altijd meegenomen dat de middenklassen geneigd is de oorzaak van haar frustraties te leggen bij de immoraliteit van de onderklasse in plaats van bij de incompetentie van de Elite zelf. Dit veronderstelt uiteraard dat die onderklasse zichtbaar in het land blijft, dat ze honger lijdt maar zeker niet sterft.

[6-7 november 2009; wordt hopelijk vervolgd]

Quote van de Dag:

De NATO-projecten ter ondersteuning van de emancipatie van de Afghaanse vrouw beogen niets meer en niets minder dan de productie van hoeren voor de NATO-soldaten.

(Diverse leden van de NATO weigeren extra troepen te sturen omdat de productie van prostituees in Afghanistan niet volgens het voorziene schema verloopt. “Pas de putes, pas de troupes,” liet Sarkozy aan Obama en aan de secretaris-generaal van de NATO weten. Pieter Decrem van zijn kant laat zich ook niet onbetuigd: verleden maand werd alvast op het kernkabinet een project goedgekeurd waarbij 5 vrouwen uit zijn eigen Aalter naar Afghanistan konden worden gestuurd om in een wijk van de hoofdstad Kaboel vrouwen de job te leren. De 5 vrouwen zijn echter al voortijdig moeten terugkeren omdat in de toegewezen wijk alle vrouwen al hoer waren maar er een erezaak van maakten NATO-soldaten als klant te weigeren. Pieter Decrem heeft de NATO nu gesuggereerd om dan maar meteen de grote middelen in te zetten. Michelle Obama, Carlo Bruni en het favoriete minnaresje van Berlusconi: onmiddellijk naar Afghanistan!
Zo ziet u maar op welke manier de oorlog in Afghanistan zal beslecht worden.)


Brief aan De Morgen DM

07/11/2009

 

Geachte De Morgen,

Meer dan 30 jaar lezen we nu De Morgen. We waren vanaf het eerste exemplaar in 1976 al bijzonder wantrouwig. Kersvers hoofdredacteur Paul Goossens benadrukte toen in zijn Edito dat vooral de overheid in het oog gehouden zou worden, niet de privé-sector dus. Een duidelijke missie, maar als socialisten vonden wij dat toch allemaal een vreemd uitgangspunt voor een krant die toch (op dat moment alvast nog) volledig door socialistische instanties werd betaald. Maar ja: Paul Goossens pakte als KUL-studentenleider en “Mei-68’er” (wat hij eigenlijk in geen enkel opzicht was) wel de Société Générale aan maar liet als katholiek uiteraard zijn broodheren, de Vlaamsche AVV-VVK Kredietbank, ongemoeid. Nochtans was de Kredietbank, nu KBC, vergeleken met de Société een erg rechtse, “anticommunistische” bank die, na in de oorlog met meer dan een halve voet in de collaboratie te hebben gestaan, bakken geld spendeerde aan Spekpater-activiteiten in Oost-Europa en haar personeel voor deze acties ter beschikking stelde (zoals ik zelf in de jaren 1980 in de Antwerpse Boerentoren op diverse hoger gelegen verdiepen genoeg hebben kunnen merken, toen ik bv. mocht horen dat KB-personeel materiaal naar Polen moest brengen en extra geld meekreeg om de grenswachters om te kopen).

We kenden natuurlijk de Pol wel, ook van zien, helaas! En Van Miert: een boer die in Vlaanderen het socialisme zou vestigen, we hebben gezien wat er van geworden is/was. Misschien is het wel de Spekpater geweest die hem zijn Oost-Duitse echtgenote leverde. Maar De Morgen oogde leuk en je kon er dingen in lezen die nergens anders te lezen waren. Zij het dat de DM-journalisten toch een air hadden alsof ze pauselijke decreten m.b.t. de journalistiek mochten uitvaardigen. Hoeveel van die “we” van toen nu nog De Morgen lezen, weet ik niet. Bitter weinig vrees/hoop ik. Ik zelf in ieder geval begin meer en meer de sportbladzijden te appreciëren dan de voorgaande pagina’s. Maar ik kan die evengoed in Het Laatste Nieuws lezen.

Kortom: ik lees uw sensatieblaadje niet meer en het opbellen van een paar personaliteiten om over één en ander rap hun gedacht te laten zeggen onder ronkende titels van artikels die volledig in tegenspraak zijn met het Editoriaal van de krant 2 centimeter linkser op dezelfde bladzijde: dat noem ik geen journalistiek. Zelfs in de armste ontwikkelingslanden maakt men betere kranten.

Ik ga trachten mijn verhaal kort maken. Ik ben De Morgen kotsbeu. Eén onnozel detail heeft de emmer doen overlopen: enkele weken geleden noemde u één der verdachten van de moord op politieagente Kitty Van Nieuwenhuyzen al zonder enige schroom de “moordenaar”, niet één keer uit gehaastheid maar wel tien keer. Nochtans weet u zelf verdomd goed dat de bewijzen tegen deze man niet veel waard zijn en dat hoe dan ook een paar barbertjes moeten hangen simpelweg omdat het vermoorde slachtoffer een politieagent is. Douglas De Coninck mag dan wel politie en gerecht wat jennen, zijn verhalen raken steeds welbepaalde en goed geselecteerde personen, nooit de functie van de de politie of het gerecht anno 2009 als dusdanig. Kortom, van een krant als De Morgen verwacht ik iets meer dan van Dag Allemaal, dat me overigens degelijker lijkt in zijn sensatiezucht dan u. Binnenkort lees ik DM in de wachtkamer van de tandarts, zoals ik er nu een poging doe om in Story te bladeren. Koen Vidal lijkt me als DM-buitenlandjournalist veeleer een lobbyist dan een verslaggever. Walter Pauli noteert wat hem verteld wordt in cafés in Leuven en in de Brusselse Dansaertstraat, hij kan goed schrijven maar zegt niets wat een geïnformeerd mens al niet weet uit andere bronnen, zoals bv. het leven zelf. Yves Desmet is een pion van de Open VLD geworden en vleit bepaalde politici zoals hij destijds als student, zoals ik ook met eigen ogen heb mogen meemaken, de kont van zijn proffen likte. Verder laat De Morgen alleen BV’s, managers, bankiers en andere rijkaards van dit arme land aan het woord. Van de sociale partners kent De Morgen omzeggens alleen het VBO en UNIZO. Wat heb ik aan de volledige tekst van de Obama-speeches, in Kairo of elders? Het zijn toch maar pr-speeches, niet? Het zou me meer interesseren om eens een volledige speech van Khadafi of Mugabe te mogen lezen. Gelukkig kun je op Google ook Afrikaanse kranten lezen.

DM is een krant van, over en voor BV’s. Je moet, zoals dit ook op de VRT het geval is, al door het medium beroemd zijn gemaakt om in het medium aan bod te komen. Verleden week was bv. voor de zoveelste keer Rik Torfs te gast én in De Laatste Show én bij Phara. Wordt het niet tijd dat Benedictus, ook al de zoveelste, deze kerkrechterlijke man zalig en daarna heilig verklaard: hij heeft toch meer mirakels op zijn naam staan dan die povere Damiaan met zijn timide tremolostemmetje? Van een paar van die BV’s weet ik hoe ze hun “loopbaan” hebben “uitgebouwd”. Goedele Liekens bijvoorbeeld. Die dacht, toen ze als VUB-studente psychologie miss België was geworden, dat ze zonder wat dan ook nog te studeren 20 op 20 zou halen op al haar eindexamens. Er is toen druk van hogerhand geweest om haar toch maar een diploma klinische psychologie te geven, zeer tegen de zin van de toenmalige decaan van de faculteit. Een paar jaar later, begin 1991 als ik me nog herinner, vroeg een vriendin van me, ene Marianne S., de gegevens van een thesis van een “vriendin” statistisch te verwerken. Wat een rommel heb ik daar op mijn bord gekregen: het ging over een soort experiment waarbij een paar mensen zich moesten masturberen maar waar niets uitkwam dat ook maar presenteerbaar was. Als vriendendienst heb ik de zaak dan maar met wat statistisch kunst- en vliegwerk presentabel gemaakt. Met de statistische toolkit is het immers niet moeilijk om in het bestek van een paar uur onpubliceerbare gegevens om te toveren tot iets dat minstens op gebakken lucht lijkt. Achteraf heb ik te horen gekregen dat het ging om Goedele’s thesis seksuologie aan de KUL. Gelukkig had ik geen geld aanvaard voor mijn bricoleerwerk. (Een licentiaatstheis is publiek toegankelijk en u kan de thesis seksuologie van Goedele dus in de bibliotheek van de KUL raadplegen.) Goedele heeft me sindsdien nooit meer aangekeken, uit pure schaamte (een gevoel dat toch tot de sfeer van het seksuele behoort). Ze weet heel goed dat ze zonder mij nooit seksuologe was geworden (en wat ze sindsdien aan “seksuologie” heeft voortgebracht is doorgaans ook niet haar eigen werk; niet voor niets heeft ze rond 1990 haar seksuologiepraktijk ingeruild voor een job bij de VTM). Maar Goedele is BV en dus onschendbaar en zalig. En elk orgasme dat iemand haar bezorgt, geneest die iemand ogenblikkelijk van zijn lepra hier en zijn lepra daar. Dus ze staat nu al op de lijst van het Vaticaan om zalig en binnen 5 jaar heilig verklaard te worden: op voorwaarde natuurlijk dat ze erin slaagt met haar decolleté de Zwitserse garde te passeren. Wat op zich al een eerste mirakel van haar zou zijn!

Ik schat dat anno 2009, naast de berichten die klakkeloos gepasted worden van Belga (en die je die dag in identiek dezelfde vorm in elke Vlaamse krant kunt lezen), een dikke 75% van De Morgen overgenomen is van andere kranten of geschreven is door copywriters van bedrijven. En hoe meer overgenomen wordt, hoe duurder de krant blijkbaar wordt. Ja, een vertaalbureau kost nu eenmaal meer dan een in house journalist. Waarom zou ik 1.30 euro extra betalen op zaterdag voor bijlagen die puur gelul, reclame of propaganda zijn? Overigens laat mijn inkomen me niet toe me modieus te kleden. Dus al dat nieuws over de modewereld laat me parallellogram koud.

Basta dus!

Met verkleefde groeten,

Drs. Mario de Sa-Carneiro
Informant Eerste Klasse van de Staatsveiligheid
Luchthavenlaan, 74
8430 Middelkerke
059 438 24 67


The Gods Must Be Crazy (MCMLXXX)

06/11/2009

.

tien manen lang zonder zon ben ik vergeten
de kleur van je ogen en al wat er vast en losjes
mee verbonden was tot ver ten voeten uit
vreemde vormloosheden duizendmaal groter
dan een colaflesje of een houten blaaspijp
hadden de snelweg tussen mijn hoofd en hart
in puin en verschroeide aarde omgetoverd
en de goden konden en wilden me niet vertellen
voor welk kwaad dit mirakel mij boeten deed
misschien omdat berouw mij nooit is aangeleerd

nu trek ik verse sokken en gepoetste schoenen aan
en zie al geduldig als beton vooruit naar de Drie Gapers
waar het bier nog betaalbaar is en overvloedig schuimt
en lange benen languit onder de tafel worden gestrekt
het is nu wintertijd overal ook in jachtige en hete landen
zelfs daar waar de klimaten kunstmatig zijn opgewarmd
ik verkoop mijn ijskast dat onderkoeld en haperend wezen
ik hoef m’n dromen niet langer te verbergen voor mijn katten
en spreek weer voluit met hen over jouw hart en hersenen

de snelweg is weer open er speelt een naamloos rockbandje

≤ nacht van donderdag 5 op vrijdag 6 november ≥


Er is nog Dienstverlening (her en der)

06/11/2009

Er is nog dienstverlening. Soms terecht minimaal en zelfs niet eens dat, wanneer mensen door hun bazen niet billijk verloond worden of op een andere manier respectloos behandeld worden. Soms volkomen ten onrechte, wanneer dikbetaalde sjarels en sjarelinnen er een plezier in vinden U te laten wachten terwijl ze links en rechts sms-en of op Facebook hun dagelijkse dwaasheden kwijt moeten van het genre “Ik ga wandelen met de hond”. Het zijn het soort mensen waarvan je zonder aarzelen moogt zeggen dat het “medium” niets maar dan ook niets meer is dan de “message”.

Maar ik meld u met genoegen dat er hier en daar nog waarachtige dienstverlening is. Er zijn tot mijn verwondering blijkbaar nog mensen die u met plezier bedienen en die zich niet geagresseerd voelen als u wat uitleg vraagt over de diensten die ze u aanbieden en zelfs niet wanneer u kritische maar ter zake doende vragen meent te moeten stellen. Tenslotte verdienen ze geld aan uw bezoek aan hun kantoor.

Gistermorgen ben ik langsgelopen bij mijn bank (een “buitenlandse” bank met een slechte reputatie, want in hun Raad van Bestuur zitten geen klapwiekende politieke kleppers en ministers van Staat van het kaliber Jean-Luc Dehaene – voorzitter Dexia – of Willy Claes – bestuurder of tot ontslag gedwongen bestuurder bij alles wat er van Reikjavik tot Ankara te besturen valt). Ik had mijn bank nodig om mijn huurwaarborg te regelen en een kleine lening te vragen om mijn verhuis te regelen. Want vóór ik mijn huidige huurwaarborg terug in handen krijg, moet ik uiteraard eerst kosten doen die mijn pensioen te boven gaan: de waarborg voor de nieuwe huurovereenkomst, het betalen van een verhuiswagen, et cetera. Dus trek ik (in de regen) naar het dichtstbijzijnde kantoor van “mijn” bank: ik had wel eerst gebeld om te vragen of ik niet op afspraak hoorde te komen. “Nee, nee. U wordt onmiddellijk geholpen.”

Allez dan maar. Wanneer ik rond 10 uur in het kantoor kom, vraag ik, na een oog geworpen te hebben door de tussendeur, de loketbediende nog eens of ik niet beter op afspraak kom. “Nee, nee! Er is maar één klant voor u, en die is bijna klaar”. Allez dan maar.

Ik hou mij op de achtergrond zittend op een stoel aan een bureau waar blijkbaar een zekere Dimitri Kimiotis werkzaam is (of deze morgen stante pede ontslagen werd zonder dat men reeds tijd gevonden heeft al zijn sporen uit te wissen). Naast mij bedient een eerder norse heer de cliënte die bijna klaar is. Ondertussen komen met een korte tussenpoos twee andere klanten binnen die zich eveneens op een stoel installeren. Maar blijkbaar hebben die iets wat ik niet heb. De heer die de cliënte stilaan klaar maakt, informeert zich bij hen over de reden van hun bezoek en er worden in beide richtingen al documenten uitgewisseld, terwijl de cliënte die bijna klaar is er met een gezicht bijzit alsof ze terug naar af, naar het voorspel dus, is gestuurd. Na een kwartier toekijken op dit vreemdsoortig gedoe en door geen enkele managementtheorie te rechtvaardigen schouwspel bedank ik de heer voor zijn onmiddellijke dienstverlening: “Ik hoop dat Uw dak goed lekt vandaag!” Wat denken die lieden wel? Dat ze het enige kantoor zijn van mijn bank? Dat omdat de andere klanten vreemdelingen zijn, ze iedereen (inboorlingen én vreemdelingen) als quantité négligeable mogen behandelen? Ik hoop dat zijn naambordje er morgen bijstaat als dat van de ongelukkige heer Dimitri Kimiotis.

Het regent plots niet meer als ik buitenstap. Dat moet een goddelijke interventie zijn met de boodschap dat ik best maar meteen naar het kantoor van mijn bank 2 kilometer verder trek. Zo gezegd zo gedaan. Na een aangename wandeling, alleen maar even onderbroken door de sirenes van politiewagens die gevangenen als levend vlees van her naar der versleuren, arriveer ik rond 12uur bij het tweede kantoor dat er overigens van buiten al veel ordentelijker uitziet. Normaal had ik een afspraak moeten maken, zegt de loketbediende. “Maar un beau garçon laten we voor één keer wel binnen.”

Ik moet vanzelfsprekend wel eventjes wachten want beide agenten/bedienden/operatoren/office managers zijn druk bezig zaken af te handelen aan de telefoon. Maar na 5 minuten mag ik al plaats namen tegenover een dame die vriendelijk informeert waarmee ze me kan helpen. En ik zit in een stoel met een zachte rugleuning, even zacht als de hare. Ik leg mijn geval open en bloot. Meteen schiet ze aan het werk. Eerst de kleine lening in orde brengen waarmee ze meteen ook mijn schuld op mijn VISA-kaart aflost, want “daarvoor betaal je alleen maar onnodige interest vergeleken met het krediet”. De huurwaarborg regelen en me een kopie bezorgen die ik aan de eigenaar kan overmaken. De doorlopende opdracht klaarmaken voor de betaling van de huur vanaf 1 januari 2010. En nog een paar akkefietjes. De dame was zelfs zo vriendelijk een verhuisfirma op te bellen om te vragen hoeveel een verhuis van Brussel naar Oostende ongeveer zou kosten. Al die acties vertalen zich in een quasi eindeloze reeks paperassen vol vreemde tekens en getallen die ze moet uitleggen, soms tot twee drie keer toe, plus uiteraard ettelijke handtekeningen hier en daar. Na anderhalf uur vraag ik of een kruisje als handtekening niet voldoende is.

De dame heeft wel haar volledige middagpauze opgeofferd. Tussen de paperassen door en tijdens de momenten dat de computer wat trager werkte, hebben we wat gekeuveld. Op 6 oktober is haar kelder ondergestroomd bij een halve wolkbreuk en haar verzekeringsmaatschappij maakt er geen werk van. Ze heeft last met haar gsm-operator en neemt als revanche nu nog nergens een abonnement op: Pay & Go zal het wel doen. Ze wil thuis zelfs geen Internet meer. Haar tv-distributiemaatschappij in Drogenbos (Vlaams Gewest maar in wezen allemaal Franstalige inwoners) hebben een resem Franstalige zenders van de kabel gehaald. “Zwijgt U ervan, mevrouw, ik weet er alles van!” zeg ik. “Er is geen dienstverlening meer, alleen nog technologie die zwijgt en vooral zwijgt als je iets wilt geregeld krijgen.” “Ja, mevrouw,” glimlach ik, “maar u verleent nu zelf toch ook wel een dienst, dus u bent hier dus eigenlijk ook alleen maar bezig te doen ALSOF u het beste voor me wil!!”

Ik vraag terloops of ze weet wat Standard de dag voordien in de Champions League gedaan heeft, maar ze is geen supporter van welke voetbalclub dan ook. “Ja, voetbal gaan kijken: dat gaat ook met abonnementen, nee?” opper ik breed lachend (ik heb immers toch mijn tandprothese op). En ze lacht breed terug, zij het minder breed dan ik. Als ik het goed begrepen heb, is ze nog niet lang geleden gescheiden van haar man. En dan stroomde haar kelder nog onder ook. En met de daling van de index is daarenboven haar loon ook, zij het lichtjes, naar beneden aangepast. Ja, dan lach je niet 24 op 24 uur je tanden bloot.

Enfin: na een geduldige dienstverlening, professioneel volledig ok maar tegelijk ook doorspekt met spontane niet ingestudeerde gezelligheden, neem ik afscheid. “Ik vrees dat ik u helaas nooit meer zal terugzien. Bonne chance!” en ik wuif naar haar als ik uit het zicht van het kantoor verdwijn. Twee huizen verder koop in een dvd-winkel meteen 5 filmklassiekers waaronder Dr. Strangelove, Death in Venice en Lolita (deze laatste om mijn pedofiele neigingen te neutraliseren want ik heb geen zin om in het Psychiatrisch Centrum van Beernem aan “animal therapy” te gaan doen, i.e. 5 minuten met een geit of schaap gaan wandelen in de wildste der naturen en dan 2 uur koeienstallen uitmesten).

Ik verzeker je, beste lotgenoten en vrienden, er is nog dienstverlening. Er zijn nog mensen die weten dat een “warme samenleving” niet gemaakt wordt door politici en dat de familie Van Rompuy en hun neven en nichten tot in de zesde graad zoiets dus ook niet als samenvatting van hun partijprogramma moeten naar voren schuiven. Een warme samenleving bijvoorbeeld, une société chaleureuse: dat maken de mensen zelf onder elkaar, dag in dag uit.

Je zal opwerpen: Eric, er zitten in de paperassen wel zeker een klein legertje bijtende addertjes onder het gras. Ja, natuurlijk: het zijn banken. Natuurlijk dat de bank er minstens dubbel zoveel profijt mee maakt dan ik eraan heb. Maar dat is zo bij alle banken. Ook bij “de bank van hier”.

Maar die twee uur dat ik het gevoel had dat men qua dienstverlening zijn/haar best voor me deed in een sfeer die op camaraderie begon te lijken: dat is na de herrie en respectloosheid die me de voorbije weken bijna overal te beurt is gevallen, onbetaalbaar en een heuse verademing die mijn longkanker weer met zeker 1 jaar van me af schuift. Zijn dit niet the facts of life die we vroeger ongezouten aan onze kinderen leerden? Zijn dit niet de juwelen die het leven versieren en ons onafwendbaar sterven tot een aanvaardbaar noodlot maken?

[Ik laat me ’s avonds in ieder geval niet van de wijs brengen door een nieuw offensief van slechte en kwaadaardige dienstverlening. VRT TerZake werkt me, 1 seconde nadat ik de tv opzet, al meteen op de zenuwen met haar demagogische en vermoedelijk door Quickie gebriefde “journalistiek” omtrent de spoorwegstaking en de reizigers die weer eens de dupe zijn en gegijzeld worden als waren ze ontvoerd door Somalische islamisten die TerZake een video hebben gestuurd met beelden van blinkende zwaarden op de keel van duizenden treinreizigers, vooral vrouwen en kinderen uiteraard die de handen zouden worden afgehakt zoals onze koning Leopold II dat destijds in de Congo beval te doen met de kinderen van negermannen die hun dagratio rubber niet hadden bijeengegaard. Zonder veel intro en na wat totaal oninformatieve en stemmingmakende amateurclipjes snauwt Lieven Verstraete, winnaar van de publieksprijs Stotterende Journalistiek, de uitgenodigde minister van Overheidsbedrijven verwijtend toe: “Wanneer komt die er nu eindelijk, die minimale dienstverlening?” Over de inzet van de staking uiteraard geen woord en Terzake gaat er ook niet op in als de minister onze Lieven in zakelijke woorden diets doet wat en hoe groot deze inzet wel is. En TerZake heeft blijkbaar een “ex-directeur van de Liberale Mutualiteiten” een bij Blokken geleend gratis JVC screen aangesmeerd opdat hij ons zou zeggen dat deze staking een schande is. Nochtans zegt de minister duidelijk dat de zaak ernstig is én belangrijk voor het GANSE spoorwegpersoneel. En TerZake maakt er geenszins melding van dat ook de LIBERALE vakbond deelneemt aan de staking. Wat een omgekochte lobbyisten, die Ter Zake journalisten. En ze nemen zelf nog niet eens 1 keer per jaar de trein, toch die Lieven Verstraete niet, want hij gaat er prat op dat hij in zijn auto naar keiharde rockmuziek luistert. Voor dat soort lieden zijn zelfs de gevangenissen van Marokko nog te menselijk. En wanneer de NMBS maar 1 directeur zou hebben, in plaats van drie zetbazen, die me eerder producten van nepotisme lijken, zouden al heel wat dingen beter en vlotter lopen op onze sporen en perrons. Waarom legt Lieven Verstraete van Ter Zake die zetbazen het vuur niet aan de schenen, zodat een uur later hun mailbox al uitpulkt van duizenden boze emails, waaronder zeven die dreigen hen te lynchen of hen op het spitsuur te onthoofden in de lokettenzaal van Brussel-Centraal? Dan zouden spoormannen geen reden tot staken hebben en zou één en ander (som van 1 + ander is 3 en meer zelfs) vlotter verlopen. Met het salaris van die drie zetbazendirecteurs, die niets liever doen dan elkaar stokken in de wielen steken, plus hun jaarlijkse bonussen, kun je zo alleen al 35 functionele spoormannen aanwerven.

Ik zet het kwaliteitloos ding maar meteen af. En amuseer me met de dvd van de filmklassieker The Gods Must Be Crazy. De VRT is duidelijk een “evil thing” dat Bosjesman Xi in opdracht van zijn stamgenoten samen met de colafles die hen als een vergiftigd godsgeschenk op het hoofd is gevallen, naar het Einde van de Aarde brengt zodat het de mensen geen verder kwaad kan doen. Een scheut porto zorgt dat ik er al lang niet meer aan denk of het nu eigenlijk Lieven Verstraete of Verstraeten met een "n" achteraan zijn naam is. Van op afstand bestuurde buiksprekers verdienen de moeite niet die ik normaliter doe om iemands naam correct te spellen. Hopelijk geeft Coldplay snel weer een reeks concerten: dan kan Verstraete zijn missie waarmaken door de leden van de band te vragen hoe het zit met hun allerlaatste kuch kuch hoest hoest “Excuse me, I meant: your last cd”. “This is not our last cd, sir!”

Een glas porto, een colafles van 1.5 liter, centrale verwarming en drie rustige katten maken er hier bij mij een “warme samenleving” van. En by the way: Standard zou woensdagavond met 2-0 gewonnen hebben.]


Laurette machtigste vrouw in Vlaanderen

05/11/2009

.


Laurette Onkelinx, a Friend of mine, is verkozen tot “machtigste vrouw van Vlaanderen”, en dit door een jury bestaande uit 17 mannelijke kleine koppen en grote onderbuiken aangevuld door nul vrouwen en nul transseksuelen of andere queers en zogenaamde disforen.

Zij haalde het ruimschoots op Joëlle Milquet (Madame Non), Marianne Thyssen (voorzitter CD&V tot Herman Van Rompuy president van Europa wordt en zijn broer te rade is gegaan bij een psychiater gespecialiseerd in de psychische problematiek m.b.t. de rangorde waarin men als kind geboren is), Mieke Van Hecke (de dame die er in profiel vrouwelijk uitziet maar qua geaardheid eigenlijk chef is van het Katholiek Onderwijs) en tenslotte Caroline Gennez (voorzitter sp.a, waarvan de jury stelt dat ze “haar macht vooral puurt uit haar complete machteloosheid”; ik vermoed dat 12 van de 17 juryleden Mechelaars of mislukte tenniskampioenen waren).

  


Heil Sinterklaas, Heil Unser Führer

05/11/2009

.
Sinterklaas is al in het land, we zijn amper 5 november. Maandag (op Allerzielen dus) dook hij al live op in Wijnegem (een “dorp” rond Antwerpen, volgens de VRT) waar hij van een boot stapte en zich onder de massa begaf, een massa die duidelijk door een goddelijk visioen weet had gekregen van de komst van de kindervriend. De burgemeester van Wijnegem had hem namelijk betaald om te komen, net zoals hij ook meteen maar de VRT getipt had. Dus verscheen Sinterklaas ook in het VRT-journaal. 2 november!? En de Sint glijdt pas echt door de schoorstenen op 6 december, meer dan een maand later. Er was dan ook al meteen protest tegen dit al te vroege optreden van de Sint. Er werd namelijk enkele jaren geleden in Brussel plechtig een “Akkoord tussen de Gevers” gesloten en ondertekend door de voorzitters van de drie Genootschappen van Sint-Maarten (Sint-Martinus, 11 november), Sint-Niklaas (Sint-Nicolaas; 6 december) en de Kerstman (25 december). Daarin staat gestipuleerd dat men zoveel mogelijk elkaars glorieperiode respecteert: m.a.w. Sinterklaas hoort onbestaande te zijn vóór 11 november en hij hoort ook niet op Kerstdag of op Nieuwjaarsdag op pad te gaan, met of zonder Zwarte Piet (in Wijnegem was geen Zwarte Piet te zien; diens contract als tijdelijk werknemer of uitzendkracht is blijkbaar door de herstructurering van het gebeuren opgezegd en niet verlengd en de Piet leeft nu als dakloze in de Liefkenshoektunnel). En ja: het bestaan van zoiets als een “Akkoord tussen de Gevers” leert ons meteen dat je niet zo maar vrijelijk gekleed als Sint of Kerstmannetje op straat kunt komen. Je hoort in principe lid te zijn van het bijpassend Genootschap dat blijkbaar als een soort syndicaat optreedt (Zwarte Piet heeft een blog maar is geen lid van welk van de drie Genootschappen ook). Wie die Genootschappen sponsort, kan u uiteraard wel raden. Want optreden als Sinterklaas, Sint-Maarten of Kerstman kost tijd, geld en energie. Naar verluidt heeft het Wijnegems optreden van Sinterklaas, dat zo duidelijk het respect voor de sperperiodes heeft geschonden, al geleid tot een brief van de Klokken van Rome aan de burgemeester van de Stad Brussel om het “Akkoord tussen de Gevers” te herzien of althans aan te vullen met nieuwe clausules zodat de rechten van de Klokken binnen enkele jaren niet bedreigd worden.

De drie Genootschappen noemen hun leden dus blijkbaar “gevers”. De betekenis van Sinterklaas en co is sinds de jaren 1970 in een stroomversnelling geraakt. Wat is eigenlijk de maatschappelijke functie van die meneer die toch zo gemakkelijk het nieuws haalt. Bekend als ik ben met de theorieën van Jacques Lacan denk ik vooral aan de psychische wreedheid van de Sint: bij de kinderen worden nu al vanaf 2 november, dat is dus meer dan 1 maand vooraf, allerlei uiteenlopende, elkaar snel opvolgende en helaas soms ook tegenstrijdige verlangens opgewekt waarvan vermoedelijk niet zo’n groot deel op bevrediging kan rekenen. De maand waarin Sinterklaas nationaal en internationaal op de voorgrond treedt, zal dus voor de kinderen tegelijkertijd een opwindende én frustrerende periode zijn, waarbij heel wat kinderen riskeren achter te blijven met kleine en grote trauma’s. Al kunnen de ouders tegenwoordig met Sinterklaas natuurlijk zeggen: “Geduld, kids, de rest zal het Kerstmannetje binnen een paar weken komen brengen”. De Kerstman is veeleer een Engelse figuur die wel dezelfde naam draagt (Santa Claus is etymologisch identiek met Sint-Niklaas of Sint-Nicolaas) maar actief is in de dagen rond Kerstmis en die bij ons vóór 1980-1990 eigenlijk niet gekend was bij het brede publiek. Net zoals Halloween eigenlijk amper 5 jaar geleden België en het Europese continent heeft veroverd. Halloween is gegroeid uit een 18de eeuwse Noord-Amerikaanse traditie van ongehuwde vrouwen, heksen dus, die pompoensoep maakten en deze samen opdronken met geesten en spoken waarmee ze ook “omgang” hadden: het sperma van de duivel was in de Middeleeuwen al koud, dat weet u wel. Enfin, wat at Jezus eigenlijk behalve brood en vis? Boeuf Stroganoff op zaterdag?

Het is niet zo gemakkelijk de geschiedenis van de figuur van Sinterklaas te schetsen, zelfs niet als we ons beperken tot Vlaanderen. In Nederland en Wallonië ligt de zaak ook al heel anders dan in zeg maar West-Vlaanderen, waar het fenomeen van de Gevers op zich al verschilt van Limburg.

1.

Oorspronkelijk stond Sinterklaas symbool voor de lieden die er in de winter voor zorgden dat er toch vers fruit met vitamine C vanuit het Zuiden, bij ons Spanje dus, werd aangevoerd. Vandaar dat Nederland, veel meer dan België, eigenlijk een echte Sinterklaastraditie heeft. In Nederland zijn Sinterklaas en Sinterklaasdag heilig: er wordt daar niet gelachen met de Sint. Vergelijk dat maar eens met Wallonië, waar de Sint veel raardere dingen doet. In Nederland wordt al relatief lang Sinterklaas ook vrij algemeen geëerd. In België hing dat af van parochie tot parochie. Sint-Maarten (11 november) was hier in sommige streken veel populairder: heel wat parochiekerken waren Sint-Maartenskerken. Met Sint-Maarten ging je dan als kind bedelen bij de buren om wat centjes en het is pas na de 2de Wereldoorlog dat de ouders zorgden voor een geschenk aan hun kinderen, in de vorm van een Sinterklaasfiguur die over de daken reed. Kwestie van te tonen dat men even gul kon zijn als die Amerikaanse soldaten die hier na de Tweede Wereldoorlog met hun goedkope chocolade alle jonge meisjes hadden versierd, een strategie waartegen de mannen van het Verzet (het linkse tot communistisch gezinde Onafhankelijkheidsfront) niet opgewassen waren (5 jaar later waren er nog amper communisten in Vlaanderen, ook al omdat er diverse vermoord waren en de opportunisten weer gewoon socialist werden). Thuis was het bij ons op 11 november Sint-Maarten, maar daar liet hij zich niet zien. Op school was het weliswaar Sint-Maarten met Sinterklaastrekken: hij was al vergezeld van een Zwarte Piet en beoordeelde ons op ons gedrag op school. Op 6 december gebeurde er niets. Sinterklaas was in het 1960 waar ik het over heb, nog niet volledig uitgegroeid tot een mythisch en transparochiaal fenomeen, die alle kinderen van alle gemeenten over dezelfde kam scheerde. Een paar gemeenten verder kwam de Sint als Sint-Niklaas op 6 december hetzelfde doen wat Sint-Maarten bij ons op 11 november had gedaan. Op mijn lagere school zaten toen trouwens kinderen uit wel 10 gemeenten, als het er al niet meer waren. Ik ben dus heel multicultureel opgevoed: wij hadden in ons midden protestanten, Getuigen van Jehova, leden van de Kerk van Sodom en Gomorra, kinderen van “Fransmannen” en al de rest die niet welkom was op een katholieke school of daar gewoon niet welkom wou zijn. In mijn kindergemeente en een aantal omringende gemeenten met Sint-Maartenskerken is het heden ten dage nog altijd Sint-Maarten die, verkleed als Sinterklaas en in gezelschap van Zwarte Piet, de dagen vóór 11 november de cafés en de supermarkten afdweilt. Dat kon ik gisteren zelf vaststellen: in het centrum met zijn veel cafés en winkels hangt aan één op de twee vensters een affiche met het programma van Sint-Maarten: en dat programma begon gisteren (4 november) en wordt op de avond van 10 november afgesloten met een publiek optreden in de gemeentelijke feestzaal.

2.

Het waren natuurlijk de kinderen die destijds in de arme Lage Landen het meest tijd hadden om de schaarse Spaanse importeurs van citrusvruchten te verwelkomen. Vandaar dat de Sint werd geassocieerd met kinderen en dat bij de citrusvruchten in de eerste plaats aan de mandarijn gedacht werd: die was klein, een kind kon die met de vingers schillen en de vrucht was gemakkelijk in partjes te verdelen zodat met 1 mandarijn meerdere kinderen konden bediend worden. Naarmate de disciplinering van kinderen (“braaf zijn!”) zich doorheen de 18de-19de eeuw begon door te zetten en de ouders best wat bovennatuurlijke hulp konden gebruiken om die aartsmoeilijke klus te klaren, kreeg de Sint een ruimere rol dan alleen deze van importeur van vreemde seizoensvruchten. Kwam hij in de steden via zeehavens en de binnenvaartwegen nog wel per schip, hij trok nu ook per paard naar de dorpen, vergezeld van een Spaanse scheepsmatroos die dikwijls afkomstig was uit wat toen Mauretanië werd genoemd, een Afrikaanse Moor dus, Zwarte Piet (de enige Moor die blijkbaar door de nakomelingen van Jacob van Compostella nog in onze contreien geduld werd). Zo werd het koppel Sint-Niklaas en Zwarte Piet geboren: twee geheimzinnige figuren wier identiteit onbekend moest blijven en die daarom ’s nachts als de kinderen sliepen via de schoorsteen de huizen binnendrongen en daar één en ander achterlieten om de kinderen te plezieren in functie van de mate waarin ze het voorbije jaar braaf waren geweest. En het was natuurlijk ook een ruil: als je op de vooravond van de komst van de Sint in een schoen geen vijftal winterwortelen en een paar winterrapen klaar legde (voor het paard van Sinterklaas – wiens naam me nu ontsnapt – en ook voor de ezel van Zwarte Piet), dan mocht je de mandarijnen en het speelgoed uit de zak van Zwarte Piet vergeten. Vermits de disciplinering van de kinderen zich met de industrialisering en haar nood aan min of meer geschoolde arbeidskrachten meer en meer op school voltrok eerder dan thuis, dook het koppel Sinterklaas + Zwarte Piet ook in de klassen op. De meester of de juf fluisterde de Sint dan in wie braaf en wie stout was. Zodoende wist Zwarte Piet hoe hard hij een kind met zijn roede moest kastijden. Zwarte Piet was voor de kinderen ongetwijfeld een even belangrijk figuur als de Sint zelf: het was misschien de Sint die sprak en oordeelde maar uiteindelijk was het Piet die zalfde met geschenken en sloeg met de roede.

3.

Vanaf de jaren 1960 en vooral met het antiautoritaire karakter van de jongerenrevoltes in de geïndustrialiseerde gebieden overal ter wereld (“Mei 68”, ook wel de “Opstand tegen de Vader” genoemd, vooral dan in psychoanalytisch georiënteerde kringen) begon de figuur van de Sint te tanen. De nieuwe generaties van ouders vonden dat hun kinderen “vrij” en “antiautoritair” hoorden opgevoed te worden, waarbij de straf, zeker de lijfstraf, als pedagogisch werktuig taboe werd. Ouders, behalve de meest extreemlinkse, gaven hun kinderen op Sinterklaas nog wel geschenken (opdat ze niet zonder iets zouden blijven wanneer hun vriendjes die dag van alles en nog wat kregen). Het geven van speelgoed kwam echter volkomen los te staan van speciale dagen zoals Sinterklaas. Kinderen konden op elke dag van het jaar speelgoed krijgen. Wel begon de verjaardag, die vroeger amper gevierd, een steeds meer prominente rol te spelen, zeker bij jongeren en jonge volwassenen en later ook bij jongere kinderen en bij mensen in het algemeen ongeacht hun leeftijd. Ouders, die toch nog meededen aan het ritueel van het plaatsen van de schoen gevuld met een paar wortelen, vertelden hun kinderen daarbij onverbloemd dat ze zelf Sinterklaas waren, al wisten sommige kinderen, zoals vroeger ook al het geval was, dat reeds voordat hun ouders hen inlichtten. Kinderen kregen in die jaren nog geen slaapmiddelen en hun nieuwsgierigheid naar wat er ’s morgens rond de schoorsteen zou liggen ontnam sommigen de slaap zodat ze rond 11 uur of 2 uur ’s nachts maar es een kijkje gingen nemen. (Bovendien werd de schoorsteenmythe ondergraven doordat de meeste huizen geen open haard meer hadden, maar een Leuvense stoof of een kachel en later centrale verwarming). Vooral in intellectuele kringen doken analyses op omtrent de negatieve invloed van de paternalistisch oordelende Sinterklaas en de straffende Zwarte Piet op de emotionele ontwikkeling van het kind. Ik herinner me vooral een lange radicale analyse van Alice Miller, die brandhout maakte van de goede bedoelingen van de ouders in het Sinterklaasgebeuren. Alice Miller was een psychoanalytisch opgeleide therapeute die brak met de psychoanalyse omdat het kind zelf teveel als schuldige werd gezien, bv. voor het beruchte Oedipus-complex, waar het kind met zijn verlangen om zijn vader te doden om zo zijn moeder te kunnen huwen in wezen de initiator is van het Oedipale drama. Alice Miller gooide haar psychoanalysekap over de haag, stopte met haar therapeutisch werk en zette zich aan het schrijven om vooral te wijzen op de nefaste invloed van heel wat doorgaans goed bedoelde opvoedingspraktijken op kinderen (zoals de ontwikkeling van schuldgevoelens of van irrealistische levensverwachtingen). Haar eerste boek “Het Drama van het Begaafde Kind” (origineel Duits, 1979, de Nederlandse vertaling verscheen reeds hetzelfde jaar) werd een klassieker, een internationale bestseller van grott formaat met een oplage die veel hoger lag dan gewoonlijk werd gehaald door boeken die dergelijke thema’s op een niet vulgariserende wijze behandelden. Haar volgende boeken, o.a. “In het Begin was er Opvoeding”, waren ook razend populair en verkochten ook bijzonder goed. Ik herinner me niet goed in welk boek haar radicale aanval op het Sinterklaasgebeuren en op de ouders die voor Sinterklaas spelen, voorkomt, ik denk in “Gij zult niet merken” uit 1983. (Ik heb voor mijn verhuis mijn boeken reeds gesorteerd en ingepakt en vreemd: ik heb nergens een boek van haar teruggevonden; ik moet ze blijkbaar alle uitgeleend hebben; overigens is Alice Miller na het volgen of ondergaan van een “primal scream therapy” bij de meer dan halve goeroe en poenpakker ArthurJanov zelf aan goeroewaan ten onder gegaan, cf. John Lennon, die ook deze therapie volgde). Hoe dan ook, naar het einde van de jaren 1980 toe leek Sinterklaas bij vrij grote delen van de middenklasse wel levensgevaarlijk gewond.

4.

Maar Sinterklaas werd gerecupereerd door de consumptiemaatschappij. De economie die met minder mensen steeds meer kon produceren, moest natuurlijk markten vinden om haar (over)productie een weg te laten vinden naar (over)consumptie zodat de economische groei en de winstmaximalisering niet in het gedrang kwamen. Efficiënter dan een algemene reclame bleek de strategie om bepaalde producten te koppelen aan bepaalde dagen die meteen een soort nieuwe feestdagen werden met een quasi religieus karakter, in de zin dat consumptie van die producten op die dagen zoiets was als het naleven van een religieus voorschrift. Boeken kocht je bv. op de Boekenbeurs, die steeds in dezelfde week van het jaar werd gehouden. Trok je als jongere niet naar Rock Werchter, dan scheelde er toch iets met je. Schoolgerief kocht je in de laatste weken voor 1 september, het begin van het nieuwe schooljaar. (Er is op zichzelf geen enkele reden om juist in die periode voor je kind een nieuwe schooltas te kopen; overigens is het nu een rugtas geworden, want van een boekentas kreeg je blijkbaar een scheefgegroeide rug.) Dit soort consumptiehoogdagen werd sterk gepromoot door de media en ze kregen zo nog meer het karakter van het vervullen van een plicht t.o.v. de Natie eerder dan het bevredigen van een spontaan opgekomen verlangen. Net zoals Sint-Valentijn werd opgewaardeerd als een dag om met je geliefde op restaurant te gaan en Kerstmis een copieus culinair gezins- of familiefeest hoorde te zijn, zo werd Sinterklaas op die manier een hoogdag voor de consumptie van speelgoed. Sinterklaas werd inderdaad een Gever en de straffende Zwarte Piet kwam er op de duur nog nauwelijks aan te pas. Deze recuperatie van Sinterklaas en de liquidatie van Zwarte Piet, die werd ingezet rond 1990, bereikte rond 2000 haar hoogtepunt en is stilaan een traditie geworden alsof het altijd zo was geweest. De aankomst van Sinterklaas per boot in Antwerpen wordt tegenwoordig zelfs live uitgezonden op tv. Van de geheimzinnigheid omtrent de identiteit van de Sint is niks overeind gebleven: ze is volkomen irrelevant geworden. Kinderen letten er niet eens meer op als ze twee of twintig Sinten tegelijk zien. En over het waarom van het verdwijnen van Piet stelt niemand zich vragen. De jongste kinderen hebben Zwarte Piet niet eens gekend.

5.

Nu met de crisis de hoogdagen van het consumptiekapitalisme voorbij zijn en in Vlaanderen en elders ongeveer iedereen wel wat aan rijkdom heeft verloren doorheen de sinds midden 2008 aan de gang zijnde crisis, lijkt ook Sinterklaas zich een nieuwe functie aan te meten. Die van Vader des Vaderlands, en dit niet alleen voor de kinderen maar ook voor de volwassenen. We beleven een tijd waarin alle zekerheden weggevallen zijn. De politiek heeft het aanzicht gekregen van besluiteloosheid, stagnatie en verwarring: sommige katholieken verklaren tegenwoordig openlijk dat seks op 14 jaar OK is terwijl vrijzinnige socialisten dan weer vinden dat je pas op je 18 zou mogen huwen. In alle domeinen komt het de mensen voor dat de wereld op haar kop staat en dat het enkel wachten is op het moment waarop ook deze en gene politicus of hoogste ambtenaar in opspraak wordt gebracht en ontslag moet nemen. Geen mens zou ervan verschieten indien koning Albert II morgen plots een pedofiel zou blijken te zijn of dat paus Benedictus de Zestiende het elke maand “doet” met minstens zestien maagden. Het aantal mensen dat door koopkrachtverlies, werkloosheid of werkonzekerheid, alle financiële en immateriële middelen moet aanwenden om het hoofd boven water te houden, neemt steeds maar toe. Vooral dit bevolkingssegment is nog nauwelijks geïnteresseerd in deelname aan het officiële politieke leven (het aantal mensen dat in België, ondanks de stemplicht en de mogelijke boete bij het verzaken aan die plicht, niet gaat stemmen, neemt bij elke verkiezing exponentieel toe, zo sterk dat de cijfers nog amper worden vrijgegeven). Wanneer mensen geen tijd of geen zin meer hebben om de regeling van de zaken die hen aanbelangen op macroniveau mee te regelen, dan vragen ze impliciet en expliciet naar Leiders of een Leider (want Leiders blijken elkaar het licht in de ogen niet te gunnen). Het zouden gouden tijden moeten zijn voor populisten: waar ze ook hun lijn uitgooien, zit het vol vis. Toch vangen ze, blijkbaar vooral door hun eigen dwaasheid, veelal bot. Onze onzekere tijden slagen er zelfs niet in de mensen een voor iedereen aanvaardbare rechtvaardige en integere Leider aan te bieden. De materiële belangen van diverse bevolkingscategorieën lopen ook teveel uiteen. In die zin kan alleen een boven de reële samenleving staande mythe de mensen een gevoel geven allen samen in hetzelfde schuitje te zitten. Dan zijn we terug in de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw, de periode lopende van 1890 tot 1914. In die periode ontpopte de Franse denker Georges Sorel zich als een soort voorloper van de nazi’s door nationalisme en socialisme met elkaar te verbinden. Hij benadrukte het belang van mythes als bindmiddel tussen mensen van een zelfde land en verwerd zo van heftig revolutionair socialist tot nationaalsocialist. Als ik me niet vergis is de term “nationaal socialisme” Sorel’s uitvinding; Sorel inspireerde in ieder geval rechtstreeks de Italiaanse fascistische dictator Benito Mussolini. Maar zover als Georges Sorel zijn we blijkbaar nog niet. Elke populist die zich als Leider opwerpt, verdeelt en polariseert vooralsnog de samenleving eerder dan dat de diverse bevolkingsgroepen zich meer verzoenend tegenover elkaar gaan opstellen (het Vlaams Belang en Jean-Marie Dedecker in Vlaanderen, Geert Wilders in Nederland). Nu de zak van Sinterklaas niet meer zo vol is, vervult de Sint in die zin misschien de rol van Vader en Redder des Vaderlands. Hij is anno 2009 blijkbaar de enige overgebleven zekerheid. Paul Verhaeghe, de bekende Gentse psychoanalyseprofessor (niet te verwarren met die andere schrijver Paul Verhaeghen), schreef reeds in 1998 in zijn populair boekje “Liefde in tijden van eenzaamheid” dat het wegvallen van de vader doorheen de jaren 1970 en 1980 een vacuüm heeft nagelaten dat eigenlijk heropgevuld dient te worden. Misschien vult Sinterklaas dit vacuüm én op het niveau van de gezinnen (waaronder toch steeds meer en meer alleenstaande moeders) én op het niveau van de verweesde burgers als geheel. Misschien is het daarom dat hij nu reeds manifest in het openbaar verschijnt. Misschien is hij er nog bij op Driekoningendag. Misschien ook nog wanneer de houterige prins Filip straks de troon bestijgt als koning der Belgen. In TerZake van maandag 2 november werd hij door BV Robin Ramaekers alvast de “perfecte troonopvolger” genoemd (alsof iemand anders tegen de wil van Filip of zonder Filip fysiek te liquideren ook maar enige kans zou maken). Kathleen Cools, altijd uiteraard en spontaan heel ter zake, fronste niet eens de wenkbrauwen. Het item op TerZake illustreerde dat prins Filip in Vlaanderen van zijn negatief imago af moet, een imago dat juist door de Media is gemaakt. Ramaekers vroeg ons zelfs te overwegen dat de houterigheid van prins Filip toch overeenkomt met dat van de gemiddelde Belg en dat de Belg zichzelf herkent in deze houterigheid. Haha! Men heeft prins Filip ooit dom genoemd, maar wie met hem spreekt (zoals die Ramaekers) presenteert zich blijkbaar als een nog veel grotere dommerik. Te doorzichtig, Robin! Nu, ik heb niets tegen Filip. Die al jaren durende heisa rond zijn persoon heeft me nooit kunnen bekoren: zelfs in de wachtkamer van de tandarts lees ik Dag Allemaal niet. Interessanter was de melding van die Ramaekers dat een adviseur van de koning een stel mediafiguren rond zich had verzameld (zeg maar betaald en omgekocht) om doorheen hun reportages het imago van de prins (nog verder) op te krikken. Misschien zagen we op Terzake een deel van deze verzameling aan het werk. De “perfecte journalisten” die het hebben over de “perfecte troonopvolger”.

Wedden dat prins Filip de troon bestijgt op een 6de december? Met hem zelf en gans het parlement gekleed in Sinterklaasgewaden.


Retour à Ostende

04/11/2009

.

[1 oktober 2009]

Niet alleen mijn hart is gebroken, ook mijn beeld van Brussel als stad en als gewest/gemeenschap. Het zal me niet meer lukken mezelf voor te houden dat Brussel anders is. En het zijn niet een meute Molenbeekse herrieschoppers of meer algemeen een overmacht aan jihadisten of zwaar bewapende Oosteuropese criminelen die daarvoor verantwoordelijk zijn. Vanaf nu zal ik bij een beeld van het Atomium of een foto van een Victor Horta Art Nouveau huis, nooit meer kunnen ontsnappen aan de openlijk geëtaleerde grimmigheid die hier de boventoon is gaan voeren, plus de vernederende minachting die de politie nu ook alhier ten beste geeft wanneer je moeilijk anders dan precies op haar beroep moet doen. Een politie die blijkbaar opereert onder het motto dat de burger ten dienste staat van de politie in plaats van andersom en die niet alleen nalaat je problemen ernstig te nemen maar ze bovendien nog een flink stuk vergroot. Een politie die je bijvoorbeeld bedreigt met een proces-verbaal voor smaad wanneer je beleefd vraagt een inspecteur te mogen spreken om aangifte te doen van een misdrijf. Niet dat ik me zoveel illusies maak over de politie in andere steden, maar in Brussel had ik me, voortgaand op de 40 jaar dat ik deze stad bewoon, aan iets anders verwacht. Blijkbaar is Brussel niet meer het Brussel van de 20ste eeuw. En achteraf gezien: ik had dit eigenlijk kunnen weten! De 21ste eeuw heeft tot nu toe inderdaad alleen maar verval laten zien. Daarbij komt nog dat ik in de buurt van de gevangenissen van Sint-Gillis en Vorst woon, twee mooie gebouwen. Tot eind augustus ongeveer werd de politiesirene maar één keer per dag opgezet om gevangenen (meer bepaald deze in voorlopige hechtenis) naar het Justitiepaleis te transporteren waar ze voor de rechter hoorden te verschijnen: hooguit 5 à 10 seconden duurde dat decibelgeweld. Sinds de ontsnappingen in augustus, de kleine en minder kleine gevangenisopstanden en soortgelijke problemen plus de veelvuldige stakingen van de cipiers voor bijkomende veiligheidsmaatregelen en tegen de overbevolking is het nu quasi de ganse dag een komen en gaan van sirenes van allerlei soorten politiewagens, ambulances en al wat maar kan ingezet worden om 120 decibel te produceren. Zelfs de sociale assistenten van de gemeente geven toe dat het niet meer menselijk is en dat de buurt als relatief fraai restant van architecturaal fraaie herenhuizen uit de jaren 1900-1930 compleet zijn aantrekkelijkheid zal verliezen, met hoogstwaarschijnlijk verloedering als gevolg.

Er zit hoe dan ook niets anders op dan, voor de zoveelste keer, te herbeginnen. Ik ga u niet lastig vallen met een relaas van de perikelen die mij genoopt hebben een ezel in te huren om de vlucht naar Egypte voor te bereiden. Maar ik doe het ook voor mijn katten. Sinds de quasi permanentie van de sirenes kan ik nog amper met een gerust hart het venster van mijn straatbalkon open zetten. De katten zijn op die manier beroofd van hun gelegenheid op van op dit balkonnetje te genieten van een visuele jacht op straatmussen, duiven en eksters die even komen rusten in de takken van de bomen op het voetpad. Ze vechten ook veel meer en veel heviger met elkaar. En ze braken veel meer hun voedsel uit, vermoedelijk omdat ze overstressed eten.

Laat ik dan maar naar mijn plaats van oorsprong terugkeren, waar dag en nacht een milde zeebries de gedachten en de hormonen tempert. Uiteraard is het leven een eenrichtingsstraat à la Walter Benjamin: terugkeren is geheel vanzelfsprekend onmogelijk en uitgesloten. Maar schreef Walter Benjamin omtrent zijn Einbahnstraße (1928) zelf niet dat elke straat hellend is? Elke straat voert ons neerwaarts, naar een magisch verleden dat overigens veel meer is dan ons persoonlijk verleden. En dan grijns ik als ik in zijn werkje dat binnen geen enkel genre kan ondergebracht worden, lees: “Alleen degene die zijn eigen verleden weet te beschouwen als een wanproduct van dwang en nood, zou in staat zijn er in elk heden op een waardevolle manier gebruik van te maken. Want het leven dat iemand leefde, is op zijn best te vergelijken met het mooie standbeeld waarvan tijdens het transport alle ledematen zijn afgebroken en waar nu niets anders meer van over is dan het kostbare blok waaruit hij het beeld van zijn toekomst moet houwen.”

In deze dagen van kommer en kwel ervaar ik nu, vooral ’s nachts als ik een poging onderneem om te slapen, de nood aan een gids. Wanhoop dus. Zeker is het niet de eerste keer dat ik moet afrekenen met een gebroken hart en met de wanhoop die er als een huisvullende walm uit opstijgt. Maar de nood aan een roerganger of gids herken ik niet echt als eigen aan mijn persoon. Iemand aanroepen is me vrij vreemd. Echte idolen heb ik in mijn leven nooit gehad. Na wat mentale inspanning kan ik een dergelijke ervaring eigenlijk enkel linken aan mijn gemoedstoestand (ook steeds wanneer het uur van slapengaan aangebroken was) rond mijn 13-14de jaar. Door omstandigheden voelde ik me toen zo verlaten dat ik voor de eerste keer in mijn leven bad tot Jezus, zij het dat na een paar dagen al snel bleek dat ik beter beroep deed op andere krachten dan op hemelse figuren waarvan ik me niet kon voorstellen welke kleren ze droegen en of ze ’s nachts ook voor een achttal uur de ogen sloten. Die nood aan een gids, die ik nu voel, vloeit voort uit een overtuiging die ik toen als kind ook had: wat ik ook doe, het zal zich tegen mij keren. Kortom: het besef van de beperktheid van mijn levenskunde en levenskunst.

Zeggen dat ik eigenlijk nooit gidsen heb gehad in mijn leven. Mijn ouders liepen niet vóór op een weg die ik hoorde te gaan. Maar al evenmin waren ze bewakers die mijn doen en laten quasi professioneel in het oog hielden. Wij hadden geen opvoeders en gidsen van doen, integendeel: onze overlevingskansen zouden er alleen maar door gehypothekeerd zijn geweest. Wij hadden toch onze engelbewaarder, of zoals dat in het Latijn heet, onze genius. Elk waren we op onze eigen manier genieën, ook de jongen die op zijn zesde, alleen thuis, wat onhandig met lucifers speelde, het ganse huis in as legde en in Beernem terechtkwam om heropgevoed te worden (ik heb hem nog eens teruggezien toen hij achttien of zo was en hij leek me beter gevoed dan ik die toch een paar jaar ouder was). Wie in mijn leven gepoogd heeft mijn gids te zijn op basis van een vermeende hogere leeftijd, status of positie, merkte snel dat als er dan toch iemand gids moest spelen, ik beter geschikt was voor deze rol dan hij/zij. Dat weten de paar psychiaters en psychologen die meenden over de bevoegdheid te beschikken om me onoverlegde richtingen aan te wijzen: ik heb ze meer inzicht gegeven in hun eigen problematiek dan dat zij iets van mij begrepen hebben. Je kunt geen gids zijn van iemand wanneer je geen zicht hebt op diens labyrint. En zicht krijgen op iemands labyrint is uitgesloten als dat labyrint je wezenlijk onverschillig laat, als je ervan uitgaat dat iemands labyrint niet verschilt van dat van een ander, als je ervan uitgaat dat alle labyrinten maar kopieën zijn van een modellabyrint.

Ik denk niet dat ik het leuk zou vinden als kind te horen te krijgen welke kamers in huis geheim zijn, welke paden betreden moeten worden omdat heiligen deze ook betreden hebben of wat ik moet antwoorden als de leraar vraagt: “Wat is de hoofdstad van de Noordpool?”. Stel je voor dat ik als kind, bij de hand geleid of in het kinderzitje van een winkelkarretje, kennis krijg van de plattegrond  van een supermarkt: “Dit is de vleesrayon”, “Douwe Egberts smaakt beter dan Jacqmotte” en “Nu staan we voor de kassierster, hierlangs gaan we naar huis en naar pappie, en dit hier is het apparaat om te betalen”. Nee, ik zou het vast niet leuk vinden. En op mijn tiende zou ik zeker ontdekken dat er in die supermarkt rayons zijn waar ik nooit doorheen was gegidst en dat je een supermarkt vrij gemakkelijk kunt verlaten zonder langs de kassierster en haar apparatuur te passeren.

Ik heb het niet voor gidsen. En als ik nood voel aan een gids, dan pas voel ik me ellendig. Maar ongetwijfeld ben ik een man van een vervlogen tijdperk. Ouderwets. Of te fier en te trots om neer te schrijven dat ik angstig ben. Maar, hoe dan ook, een gids is een slecht angstwerend middel. Het is minder zoet dan chocolade en minder roesverwekkend dan alcohol. En gidsen moet je bovendien niet alleen met geld betalen maar ook met eerbied, dankbaarheid en nog een paar stichtelijke deugden. En zo rijk ben ik niet.

***

[1 november 2009]

Bovenstaande tekst is geschreven op 1 oktober 2009, toen de burgeroorlog in het appartementsgebouw waar ik woon (als je dit nog wonen kunt noemen, ongeveer alles is al lang ingepakt om klaar te zijn om te vertrekken zodra mijn nieuwe stek in Oostende binnenkort vrij komt. Dat kan 15 november zijn, in het ergste geval 30 november. Uit een soort schroom en schaamte en weggeteerd door slapeloosheid, excessief roken en een soort posttraumatisch stress syndroom (PTSS; ik spreek altijd over PTSD, in het Engels is het immers “Disorder” en niet “Syndrome”, en het is eigenlijk ook vooral buiten de US,waaronder onze Lage Landen, dat PTDS, die oorspronkelijk alleen bedoeld was om de klachten van gedesoriënteerde Vietnam-veteranen aan te geven, als PTSS overgenomen is om elk slachtoffer van een ongeluk, ramp of misdaad te psychiatriseren, met een significante stijging van het aantal jobs voor arrogante therapeuten die zich voorstellen als experts in rouw en verwerking van verlies. Jongens, het zijn veelal hooguit pas afgestudeerde dutsjes van amper 25 jaar die zelf nog nooit iets meegemaakt hebben buiten een gebroken been tijdens een skivakantie in Oostenrijk. En die dan niet meer kunnen dan het draaiboek toepassen van een of ander poenpakkend vormingsinstituut als was het het Kookboek van de Boerinnengilde.

We zijn ondertussen een volle maand verder, 1 november om precies te zijn. Maar ik vergis me: het is morgen op Allerzielen dat de slachtoffers van God, mens en natuur worden herdacht. De meeste restanten op een begraafplaats worden echter niet bezocht: iedereen was veeleer blij en opgelucht dat ze eindelijk hun welverdiende laatste rustplaats hadden gevonden. Soit. Ik ben 1 & al sereniteit ondertussen. Ik heb aan de korte maar heftige burgeroorlog van eind september, de mislukte vredesonderhandelingen (de bemiddelaars waren of te senior of te junior om er wat dan ook van terecht te brengen) geen fysiek of psychisch letsel overgehouden, integendeel: eerder een herwonnen gevoel van jeugdigheid. De vijand is deels gevlucht, deels heeft die zich teruggetrokken achter de heersende landsgrenzen. Het financieel verlies hoop ik op een fatsoenlijke wijze te recupereren. Zoniet verzeker ik de agressors dat ze weinig plezier zullen beleven aan het stuk eigendom dat ze, rekenend op het gegeven dat het Recht het recht niet in eigen handen neemt zoals het grondwettelijk hoort te doen, via roof en diefstal hebben buitgemaakt.

***

[4 november 2009; 22u30]

Retour à Ostende, de stad die van mijn geest, lijf en leden op mijn 14de-15de een wereldburger maakte. Terugkeren naar Oostende is in alle voorspelbaarheid “ad patres ire”, “naar de (voor)vaderen gaan”, de Latijnse zinsnede die nu nog altijd door klassiek geschoolden gebruikt wordt als synoniem voor “sterven”. Ik zal hier inderdaad vermoedelijk binnen ettelijke jaren sterven, ja. Het kan volgend jaar zijn, het kan nog 20 jaar of zo worden uitgesteld. De kans is groot dat ik als lijdend voorwerp van allerhande nieuwe medische technologieën niet eens bij de beslissing zal betrokken worden. Mensen sterven tegenwoordig niet meer. Ze worden op een gegeven moment op basis van een vrij willekeurige beslissing door een arts of een college artsen dood verklaard, liefst niet op een zaterdag of zondag bijvoorbeeld en ook liefst niet tijdens de omgekeerde krokusvakantie waar we deze week blijkbaar in verzeild zijn geraakt. Want dan toeft de behandelende arts een weeklang ergens in een bordeel op de Dominicaanse Republiek of poogt hij, zo hij wat spiritueler is ingesteld, de Mont Blanc te beklimmen als was het een ongetemd paard of een product van diabetes en obesitas.

“Naar de vaderen gaan.” Oostende herinnert me er ook aan dat mijn vader hier de laatste vijf à tien jaar van zijn leven werkte als metsersknecht, veelal ook als metser eigenlijk (alleen werd hij niet als metser betaald). Er moeten in Oostende nog heel wat huizen of kleine appartementsgebouwen staan die hij mee heeft helpen optrekken. En meteen herinnert Oostende me eraan hoe weinig ik over mijn vader weet. Na zijn zelfmoord en het 2de huwelijk van mijn moeder was mijn vader als gespreksonderwerp taboe geworden, zowel bij mijn moeder als bij mijn zuster.

Vermoedelijk leidde deze onmogelijkheid tot spreken, dit taboe op het stellen van vragen, ertoe dat ik op de duur allerlei zaken ging fantaseren. Ik heb al van mijn 13de (de leeftijd die ik had toen mijn vader stierf) allerlei beelden waarvan ik niet weet of het herinneringen zijn, dingen die ik heb van horen zeggen of loutere fantasieën van mezelf. En ik ben er nooit toe gekomen omtrent die vragen uitsluitstel te vragen aan mijn moeder. Misschien heb ik in de eerste jaren na de dood van mijn vader die zaken wel voorgelegd aan mijn moeder, maar zal ik snel gemerkt hebben dat ze daar niet op gesteld was. Maar het komt me soms voor dat ik het antwoord of de antwoorden eigenlijk niet wou weten. Alsof het kennen van de waarheid pijnlijker zou zijn dan het verder leven met een onwetendheid die een paar keer per maand knaagt zonder echt pijn te doen.

Zo heb ik eigenlijk mijn ganse leven in de overtuiging of de waan geleefd dat er, naast mijn zus en ik, een jaar na mij nog een 3de kind geboren is maar dat dit kind, een jongetje, bij de geboorte onmiddellijk gestorven is. Kindersterfte was ongetwijfeld nog een frequent fenomeen in de jaren 1950. Sommige gezinnen maakten 10 tot zelfs 15 kinderen omdat ze ervan uitgingen dat hooguit de helft daarvan ooit naar school zou gaan. Maar wat heeft me er mijn ganse leven van weerhouden mijn moeder gewoonweg te vragen of er inderdaad een derde kindje is geweest? Of heb ik het wel degelijk gevraagd en ben ik het antwoord vergeten, heb ik het om één of ander freudiaanse redenen verdrongen?

Ook herinner ik me dat mijn moeder en ik eens op een zondag onze vader gingen bezoeken in het hospitaal van Oostende. Enfin, ik herinner me eigenlijk alleen maar dat we het hospitaal verlaten hadden en de hoek omgingen. Ik moet nog geen zes jaar geweest zijn. Maar van wat er binnen het hospitaal gebeurd was, weet ik niets meer. Waarom lag mijn vader daar? Was hij ziek of had hij een ongeluk gehad, op zijn werk bijvoorbeeld? Ik heb het later nooit aan mijn moeder gevraagd, al denk ik zeker twee keer per maand aan het voorval.

Er werd van mij ook geen foto gemaakt als baby. Mijn eerste foto dateert van toen ik 4 jaar was en het is dan nog niet eens een foto van mij, maar van mijn buurman die een wielerkoers bij de nieuwelingen gewonnen had en die, omringd door supporters en toeschouwers, waaronder ik in de armen van mijn moeder, met de bloemtuil van de winnaar poseert. Van mijn zus, twee jaar ouder dan ik, bestaan er wel degelijk meerdere foto’s waarin ze als baby met mijn moeder op een deken in het gras ligt. Waarom is deze eer mij niet gegund geweest? Zit de erfeniskwestie die mijn moeder en haar zuster (mijn meter) totaal van elkaar verwijderden, daar voor iets tussen? Mijn meter was immers gehuwd met een wat minder arme zelfstandige kruidenier: misschien had die een fototoestel. En was dat fototoestel dus niet meer beschikbaar wanneer ik ook es in volle zon op een deken in het gras mocht liggen. Ik heb het nooit iemand gevraagd of durven vragen, ook niet aan mijn meter toen ik die voor het eerst zag na de dood van mijn vader. Nochtans ligt die kwestie, als ze me eens om de zoveel tijd te binnen valt, nogal zwaar op de lever. “Van mij werd nooit een foto gemaakt,” kun je op veel plaatsen in mijn geschriften lezen. Het antwoord op de vraag kan hoe dan ook alleen pijnlijk zijn, en ik hou niet van pijn. Pijn maakt me kwaad.

Over foto’s gesproken. Ik heb een foto waarop mijn vader en zijn ietwat oudere broer, die zogezegd mijn peter was maar eigenlijk al even afwezig was als mijn meter, zij het dat hij hooguit 100 m. verder woonde dan wij, samen met een groep anderen poseren op de binnenkoer van het Klein Kasteeltje, de toenmalige recruteringskazerne voor dienstplichtigen. Maar heeft mijn vader ook zijn legerdienst gedaan? Ik zou het niet weten. Mijn moeder heeft mij die foto, zoals alle andere foto’s van mijn vader, doorgegeven. Maar nu pas komt de vraag bij me op of hij effectief ook in Duitsland of in een binnenlandse kazerne zijn dienstplicht heeft vervuld.

Of was het net omdat hij zijn legerdienst niet heeft volbracht, dat hij regelmatig voor een weekend, samen met een jonge boer een halve kilometer verderop, naar de kazerne van Lombardsijde moest? Ik herinner me één van die weekendavonden: het stormde, bliksemde en onweerde langs alle kanten. De elektriciteit was uitgevallen, zoals telkens wanneer het zware storm was, en we zaten rond een kaars aan tafel. Mijn moeder was doodsbang en smeekt de goden van alle rassen en volkeren dat papa zo snel mogelijk thuis zou komen. Haar angst werkte zo aanstekelijk dat we allemaal (mijn zus en ik) ook angstig werden. Maar waarom moest hij regelmatig op weekenddienst? Was hij een soort reservist die in die tijden van de Koude Oorlog nog af en toe opgeroepen werd zodat zijn militaire paraatheid op peil bleef?

Een andere vraag luidt: waarom kwam zijn broer, mijn peter, nooit langs? En diens vrouw, mijn tante dus, die kwam zeker nooit langs. Mijn peter was echt wel een pure pantoffelheld en mijn tante een vrouw die dacht dat ze de koningin van de wijk was. Maar zijn daar ooit rare dingen gebeurd? Tenslotte woonde de moeder van mijn vader en dus ook van mijn peter toch bij ons in? Heeft mijn tante geweigerd haar bij hen te nemen en moesten mijn ouders daarvoor opdraaien en heeft dit wrevel veroorzaakt? Ik zou het niet weten.

Ook is het zo dat ik mijn ouders nooit heb zien ruzie maken. Het kan toch niet dat ze nooit eens overhoop lagen met elkaar? En zo burgerlijk hypocriet waren ze nu toch ook niet dat ze er alles aangedaan zouden hebben om voor de kinderen de schijn op te houden? Integendeel, zeker mijn vader was bijzonder direct en recht voor de raap.

Ik herinner me ook maar één keer mijn vader dronken gezien te hebben. Hij was in dronken (nou ja, eerder een beetje pipsie!) toestand rond 6 à 7 uur ’s avonds thuisgekomen van zijn werk. Ik zie hem nog staan op straat, niet goed te been, als vroeg hij zich af waarom er nog geen sterren te zien waren. Maar waarom stond hij op straat? Had mijn moeder hem het huis uitgejaagd omdat hij dronken was? Maar zo dronken was hij nu ook weer niet en in ieder geval sloeg hij de inboedel niet kort en klein.

Ik heb net nog eens de verzameling foto’s van mijn vader bekeken. Ik bewaar ze als een relikwie. Bij elk van die foto’s heb ik vragen. Zo liggen hier naast me een drietal foto’s die genomen zijn op de steenbakkerij van Oostduinkerke waar hij begin de jaren 1950 werkte. Op die foto’s poseert hij met diverse werkmakkers en hij ziet er heel goedlachs uit. Waarom is hij in de loop van de jaren 1950 bij een Oostendse aannemer in dienst gegaan? Is die steenbakkerij failliet gegaan? Ik zou het niet weten. Ik heb die verzameling foto’s (een 20- à 30-tal) enkele maanden na mijn vaders dood van mijn moeder gekregen, zonder dat ze er verder iets rond vertelde. Ik heb toen die foto’s één voor één foto gemonsterd zonder opmerkingen te maken, als voelde ik dat dit ongepast was. Verder kreeg ik ook zijn leren vest die ik altijd heel bijzonder had gevonden en zijn elektrisch scheerapparaat. Het komt me nu voor dat mijn moeder mij deze foto’s gaf om zelf niet meer aan hem herinnerd te worden, zoals ze ook al zijn werktuigen te geschenke had gegeven aan een relatief ver familielid. Een week na zijn dood stond er al televisie in huis. Precies ook als een manier om niet aan hem te moeten herinnerd te worden en niet aan hem te moeten denken. Misschien ook om ervoor te zorgen dat ook wij als kinderen afgeleid werden en niet gekweld zouden raken door herinneringen aan zijn gewelddadige dood en aan het feit dat hij er ooit eens was geweest.

In de voorbije 45 jaar is ook regelmatig de vraag bij me opgekomen in hoeverre mijn vader zijn zelfmoord gepland had. De dag van zijn dood – een woensdag – was er een brief aangekomen van de ziekenfondsgeneesheer waarbij hem werd meegedeeld dat zijn ziekteverlof niet verlengd werd en dat hij de eerstkomende maandag opnieuw aan het werk moest. Mijn moeder zou die voormiddag naar het belastingkantoor van het nabijgelegen stadje fietsen om een inkomensattest op te halen dat bij mijn studiebeursaanvraag moest gevoegd worden. Normaliter hoorde zij al lang terug te zijn wanneer ik rond de middag thuiskwam van school (de woensdagnamiddag was er immers geen les). Het huis was echter leeg en wanneer mijn moeder eindelijk opdaagde, wist ze meteen waar ze mijn vader moest zoeken. Zij moeten dus een paar uren gediscussieerd hebben waarin hij ongetwijfeld zijn voornemen om uit het leven te stappen kenbaar moet hebben gemaakt. Dit impliceert op zich niet dat hij vóór die dag reeds met vaste zelfmoordplannen rondliep. Alleen dat die zelfmoordgedachten latent waren en zich bij het ontvangen van die brief meteen manifesteerden in zijn aanvoelen dat hij het niet aankon of gewoon geen zin had om opnieuw aan de slag te gaan. Voor zover ik weet had hij geen problemen op zijn werk. Eerder denk ik dat hij, als ongeschoold mens die geen kans had gekregen om te studeren maar die voortdurend boeken en tijdschriften las en die bijzonder intelligent was, besefte dat het leven in een godvergeten gehucht en in een werksituatie zonder perspectieven hem eigenlijk niets meer te bieden had dat beantwoordde aan zijn mogelijkheden. Maar ik meen me te herinneren, weer zonder echt te weten of dit nu echt een herinnering van me is of veeleer een fantasie achteraf, dat hij jaren voordien reeds eens op een zondagnamiddag “verdwenen was”. Daarbij werd toen ook de mogelijkheid geopperd (maar door wie?) dat hij misschien zelfmoord had gepleegd. Het is enorm vervelend met denkbeelden te zitten waarvan je niet weet of het ware herinneringen dan wel geruchten of zuivere fantasieën van jezelf zijn. En het is vooral enorm vervelend als je het gevoel hebt dat niemand je kan zeggen in hoeverre de herinnering inderdaad ergens op slaat en in hoeverre ze beladen is met gefantaseerde elementen. En in hoeverre die eventuele fantasieën precies geen manier waren en zijn om een waarheid niet onder ogen te moeten zien, al heb je er geen enkel benul van wat die gemaskeerde waarheid dan ook zou kunnen zijn.

Voor iemand die gans zijn beroepsleven als navorser aan de universiteit heeft gewerkt, is het vanzelfsprekend confronterend om rekening te moeten houden met de mogelijkheid dat je in bepaalde materies onwetendheid verkiest boven kennis van de feiten zoals ze min of meer waarlijk zijn gebeurd. Want verkiest mijn moeder over mijn vader en zijn zelfmoord te zwijgen en is ze in ieder geval niet gemakkelijk aanspreekbaar over dat stuk van haar verleden, dat voor haar ook pijnlijk moet zijn geweest en mogelijk nog altijd is, dan ben ik in zekere zin toch gans mijn leven vrij medeplichtig geweest met haar zwijgen. Nooit heb ik haar op dat punt wat dan ook verweten.

Ik herinner me ook nog dat ik een paar maanden na de dood van mijn vader om één of andere reden aanbelde bij de vrouw die onze ziekenfondszaken regelde. Toen ze mij aan haar voordeur geantwoord had op mijn vraag, voegde ze er aan toe: “Ik ga je eens zeggen aan welke ziekte je vader leed.” (Voor zover ik weet heeft men, ondanks alle bloedonderzoeken et cetera, nooit een ziekte bij mijn vader vastgesteld.) Ik ben onmiddellijk doorgegaan: ik had geen zin om in de war gebracht te worden. Ik wou niet weten wat misschien ook maar een zoveelste onwaarheid of feitenverdraaiing was. Misschien is het inderdaad beter in vrede te leven met een onwetendheid dan gekweld te worden door de pijn van een waarheid. Maar misschien kan ik, nu ik mijn moeder in de komende maanden en jaren veel frequenter min of meer intiem zal ontmoeten dan ooit in mijn leven het geval is geweest, toch nog hoopvol uitzien naar zekere ophelderingen.

Waarom deel ik met u al deze dingen die hierboven opgesomd worden? Omdat een retour à Ostende inderdaad, voor een stuk toch, een waarachtig “naar-de-vaderen-gaan” is. Een kennisname met een vorig leven dat deels verborgen zit onder dikke lagen van levens die je daaropvolgend hebt geleid. En omdat ik altijd van mijn vader gehouden heb en hem nooit iets verweten heb, integendeel. Hij verdiende meer dan wat hem gegund is geweest. En ik heb daar enorm veel energie uit geput, plus een zuiver rechtvaardigheidsgevoel dat in geen enkel opzicht berekend was. Dat gewone mensen ook recht hebben op een rijk gevuld leven, want doorgaans zijn ze niet dommer dan de mensen die ik heb zien pronken met posities die ze in feite hebben geërfd of cadeau hebben gekregen. Ook mijn vader kon zich moreel verontwaardigd opwinden wanneer hij op de radio of in het dagelijkse leven met onrechtvaardigheden werd geconfronteerd. Van mijn vader durf ik eigenlijk luidop beweren wat Don McLean over Vincent Van Gogh zingt in zijn bekende song “Vincent”:

This world was never meant
For one as beautiful as you!

Ook dat is “naar de vaderen gaan”. Zijn fierheid te voelen en te mogen delen.


Salontafel

04/11/2009

.
met uitzicht op de fierste paarden en het zilte strand
de linkerhand die geen weet heeft van de rechterhand
daar zal ik zeker staan en ik zal je helpen te vergeten
dat de zo trotse betweterige aarde rond en lelijk is
als een miezerige en druilerige novemberregendag

het maakt bij dit leven en bij deze dood amper iets uit
waar welke bommen precies op welke frêle daken vallen
wat mogelijk is biedt natuurlijk niet de minste zekerheid
en erger nog dan de wind die haar felheid niet bedwingt
wat mogelijk is is nu eenmaal voor 100% onmogelijk

maar ik zal er zeker staan en ik zal je helpen te vergeten
dat deze nacht de vochtige maan niet langer schijnen zal
noch voor u noch voor jou noch voor mij noch voor ons
ik zal je vol troosteloos meedogen op sleeptouw nemen
tot aan de verste grens waar niet gewacht moet worden

wat we weten is onze blik uit hun aard niet waard
de paarden draven onzichtbaar over het koude strand
lachen waar al die getelde verloren werelden splijten als
vettig haar dat vele jaren nooit eens deftig werd gekamd
- en al wat kostbaar is verdwijnt in een zeer tedere mist

wat we weten hoort niet als een fraaie vaas lentebloemen
pal en fallisch op onze verse tafel te prijken en te pronken

[4 nov. 2009, 2:33]


Iskra (Russisch woord dat je kent van op school)

02/11/2009

.

Ze zit eraan te komen, de Gebeurtenis. We weten wat De Gebeurtenis is, maar niet wat ze teweeg zal brengen. We weten wel dat zal exploderen wat de mensen nu inhouden en opkroppen  en verder zullen opkroppen tot de Gebeurtenis zich effectief voordoet. Tot zolang verkiest iedereen in een staat van depressie te leven of het leven aan zich te laten voorbijgaan. Al moet gezegd dat niet elke explosie voor hartverwarmend vuur zorgt: de kans op zware brandwonden is al even groot.

We weten ook niet wanneer de Gebeurtenis zich zal voordoen. We weten wel dat ze voorzien is voor de lente 2011.
 
 Na België’s Europees voorzitterschap in de 2de helft van 1010 zal de politieke klasse denken dat ze opgelucht kan ademhalen. BHV zal gesplitst zijn en er zal ook iets geregeld zijn dat de naam Staatshervorming zal dragen. Er zal opnieuw economische groei en zijn en ook de curve van de werkloosheidstoename zal  een eerste hoopgevend keerpunt laten zien. De geest is uit de fles, zo zal men denken in Wetstraten allerhande. De koning zal uitgeput kunnen aftreden en zich laten opvolgen door zijn zoon die zich ondertussen sympathiek heeft gemaakt bij de kinderen van de bevolking.
 
 Zo is voorzien: dat is ondertussen algemeen geweten. Maar uit een soort schroomvolle terughoudendheid (Albert is de sympathiekste koning die het land ooit heeft gehad) zal niemand zich ernstig op de Gebeurtenis hebben voorbereidheid, zeker de Staatsveiligheid niet die zich blindstaart op vermeende terroristen.
 
 Alleen hebben die klanten van driesterrenrestaurants geen zicht op de fles, laat staan op de geest die erin zit. Ze weten niet over welke fles ze het hebben. BHV is al lang niet meer het symbool voor wat misgelopen is in dit land. De splitsing van BHV zal niets meer te maken hebben met de vermeende fles.
Alle opgekropte verwachtingen, zowel de angst om in armoede te vervallen als de hoop in 1 klap rijk te worden gebaseerd op de zekerheid dat elke week toch minstens 1 iemand de Lotto of de Euromillions wint, alle zullen ze op straat komen, waar ze zich voorheen beschaamd schuilhielden in de badkamer.
Het zal Revolutie zijn, dat ja! Maar hoe de kinderen van de Revolutie er uit zullen zien weet niemand. Niemand heeft enig idee. Het zal 1 & al improvisatie zijn. En improvisatie levert in de helft der gevallen niet aan te horen kakofonie, in de andere helft producten van het genre “exegi monumentum aere perennius” (Horatius: “Ik heb een gedenkteken opgericht dat de tijd zal doorstaan.”).
So, let us rejoice and sing. Beven van angst leidt toch alleen maar tot adervernauwing en voortijdige dood.

Alle Belgen niet alleen Gelijk voor de Wet!

 De Wet ook gelijk voor Alle Belgen!

.