.
Vooraleer onze racismedraad weer op te pakken, me even afreageren, anders riskeer ik en passant onschuldigen als zondebok te gebruiken voor zaken waarvoor ze geen verantwoordelijkheid dragen. Wat hoor ik via mijn linkeroor dat halvelings naar het Journaal van 13 uur luistert? Bejaarden in rusthuizen mogen geen bezoek meer ontvangen van hun kinderen en kleinkinderen, btw in Tremelo dan nog waar men zo hoog oploopt met een zekere Pater Damiaan, die heilig wordt verklaard precies omdat hij geen schrik had lepra op te lopen wanneer hij gevolg gaf aan zijn goddelijke roeping. En dat terwijl alle wetenschappelijk onderzoek al decennialang aantoont dat sociaal contact één van de factoren is die het immuunsysteem het best versterkt. Het is als vaccin beter dan de bucht en de gebakken lucht die de mensen nu wordt ingespoten. Waar dient dat griepcommissariaat met al zijn geleerden en professoren eigenlijk voor? Die Mexicaanse griep komt me elke dag nog meer en meer over als het zoveelste excuus waarachter allerhande machthebbers (zoals de directie van een rusthuis) zich kunnen verbergen om mensen te terroriseren en hun het leven onaangenaam te maken. Een schande! Voilà!
*****
Het woord “racisme” is sinds ongeveer 1990 bijzonder populair geworden, dat wel. Vooral met de verkiezingssuccessen van het Vlaams Blok, nu het Vlaams Belang, in het bijzonder na de zogenaamde Zwarte Zondag van 24 november 1991, zat Vlaanderen ook politiek opgezadeld met een vreemdelingenvraagstuk, dat door de weldenkenden in eerste instantie echter werd genegeerd, want die hetze tegen vreemdelingen was in hun ogen in zijn geheel en in zijn details eigenlijk alleen maar een vorm van een gedateerd en achterlijk racisme, waarmee we na Wereldoorlog II en de Wiedergutmachung jegens de Joden immers hadden afgerekend. Het Vlaams Blok werd zonder meer een racistische partij genoemd en door de andere partijen die zichzelf verhieven tot “democratische partijen” genegeerd en geïsoleerd, waarmee ook, op een vrij arrogante en onbegripsvolle wijze, de bezorgdheden, de stem en de mening van honderdduizenden burgers die bepaald niet gekker of zieker waren dan de rest van het kiesvee als een uiting van verwerpelijke bekrompenheid, egoïsme en “verzuring” irrelevant werden verklaard. Uiteindelijk werd Het Vlaams Blok in 2004 zelfs veroordeeld wegens racisme en inbreuken op de antidiscriminatiewetgeving, wat de partij, ondertussen qua stemmenpercentage gestegen tot een meer dan respectabele 25%, dwong haar naam te veranderen in Vlaams Belang.
Ondertussen is het Vlaams Belang er wel netjes in geslaagd haar 3 prioritaire thema’s helemaal bovenaan de politieke agenda te plaatsen, daar waar deze thema’s er voorheen niet eens op voorkwamen: 1) de Vlaamse Onafhankelijkheid (sinds 2000 zijn het Noorden en het Zuiden, vooral op initiatief van het Noorden, snel van elkaar verwijderd geraakt op alle vlakken; op de VRT aarzelt men tegenwoordig niet een uitgenodigde Waal aan te kondigen als een “buitenlander”; geen Vlaamse politicus durft het nog aan te zeggen dat hij in de eerste plaats Belg is); 2) de strijd tegen de criminaliteit in al zijn vormen (de politie is tegenwoordig zo overal aanwezig dat we niet ver af staan van een politiestaat) en 3) het vraagstuk van de migranten, de asielzoekers en de illegalen; het vraagstuk neemt de laatste twee jaren meer en meer de vorm aan van de plaats die de islam al of niet in onze samenleving kan innemen.
Sinds 1990 wordt de term racisme te pas en te onpas gebruikt. Het woord werd en wordt ook gekoppeld aan politieke overtuigingen die met ras in de breedste zin van dit woord hoegenaamd geen uitstaans hebben. Het FDF (Front des Francophones) dat voorheen omschreven werd als “fransdol” wordt sinds 2007 steevast “taalracistisch” genoemd. Ik heb in de periode van 1990 tot vandaag nogal wat mensen ontmoet die de term “racisme” gebruikten zonder te kunnen kenbaar maken wat ze er precies mee bedoelden. Hetzelfde gold trouwens voor de talrijke lieden die uit overtuiging of uit conformisme aan het politiek correcte denken, virulent te keer gingen tegen dat Vlaams Blok en zich antiracist of antifascist noemden. Maar de inhoud die ze aan hun antiracisme gaven oversteeg dikwijls nauwelijks hun symbolische afkeer voor het Vlaams Blok/Belang. Vroeg je een doordeweekse “racist” én “antiracist” naar een omschrijving van het begrip “ras” in de woorden “racisme” en “antiracisme”, dan konden ze dikwijls nauwelijks wat verzinnen. De schijnheiligheid is in beide kampen soms zeer hoog. Zo ken ik mensen die vinden dat Vlamingen een eigen identiteit hebben maar geen eigen volksaard: de term “identiteit” klinkt namelijk “progressief”, terwijl de term “volksaard” naar “fascisme” zweemt. Nou, dat soort zand strooi je Rosseel niet in de ogen, hoeveel linkse of progressieve tijdschriften je nu ook op een week mag lezen. Dat dit Vlaams Blok en ook nu nog het Vlaams Belang een aantal revisionisten (mensen die menen dat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog volledig geschreven is vanuit het standpunt van de winnaars, waarbij de wandaden van de verslagen vijand veel groter gemaakt werden en worden dan ze in werkelijkheid waren), negationisten (Holocaustontkenners), Hitlerfans en jonge neonazi’s (op zichzelf ook al een begrip dat nauwelijks wordt gedefinieerd) in zijn rangen telde en telt, maakte en maakt het sommige opiniemakers echter oppervlakkig gezien heel gemakkelijk om het Vlaams Blok/Belang als geheel als een leger racisten voor te stellen. Het groeiend “racisme” dat zich vanaf 1990 als een olievlek in heel Europa verspreidde, werd op één hoop gegooid met het historisch antisemitisme en de Jodenhaat van Hitlers nazi’s.
Het valt op dat als synoniem voor racisme zelden of nooit de term rassenhaat wordt gebruikt. Die term zou immers teveel doen denken aan het woord “ras” als een vermeende biologische variëteit van de soort Homo Sapiens. De term racisme is inderdaad veel breder en tegelijk veel vager. De term kan veel elastischer aangewend worden dan de term “rassenhaat”. Vlaams Belangers haten bv. geen Arabieren of moslims die in Mekka wonen, zij hebben enkel iets tegen Arabieren en moslims waarvan zij het gevoel hebben dat die hier de zaken naar hun hand willen zetten en de samenleving, al of niet vermeend, willen “islamiseren”. “Racisme” slaat bij het Vlaams Belang in wezen op de attitude dat het aantal vreemdelingen beperkt moet worden om de (volgens mij onvindbare, maar: soit!) Vlaamse identiteit te beschermen. Het “racisme” van het VB omvat echter veelal ook andere minderheden dan zuiver etnische die een bedreiging zouden kunnen vormen voor de toekomst van die Vlaamse volksaard, bv. holebi’s, “communisten”, drugverslaafden, et cetera (de term “identitair” voor iemand die de eigen aard en identiteit van zijn of haar volk of natie centraal stelt, wordt in Vlaanderen en België nauwelijks gebruikt, daar waar ze in Frankrijk gemeengoed is).
Antiracisme staat dan voor een politieke opstelling die spreekt over een “open samenleving” waar iedereen welkom is en die etnische en andere diversiteiten als een culturele verrijking beschouwt. Die diversiteitsvoorstanders vangen andere culturen dikwijls wel in een Catch 22. Van die andere culturen wordt namelijk verwacht dat ze zich integreren én tegelijk hun culturele eigenheid en hun “exotische” aard bewaren. Dat komt mij over als een “racistische” zienswijze: 1) mensen worden gereduceerd tot hun etnische achtergrond en “identiteit”, wat ik op zichzelf al een vorm van “racisme” vind; elk mens is altijd meer dan één identiteit, reden waarom ik mensen die absoluut “zichzelf willen zijn” masochisten noem: wat een zelfbeperking is het niet als je alleen maar “jezelf” wilt zijn en alle andere mogelijkheden als vreemde kankers ervaart, en 2) die Catch 22 duikt altijd op wanneer men de relatie “wij” versus “zij” (of “Ik” versus de “Ander”) polariseert (als twee – magnetische – polen tegenover elkaar stelt) en dan verwacht dat beide partijen in een dialoog homogeen en gelijk worden echter zonder dat één van de partijen zijn eigenheid moet opgeven. In een dergelijke opstelling verwacht men van de Ander een acrobatische lenigheid waarvan men goed weet dat men zelf niet in staat zou zijn ze aan de dag te leggen. Precies omwille van dat soort archaïsche scholastiek die me doet denken aan de middeleeuwse theologendiscussie over het geslacht der engelen, weiger ik mezelf te herleiden tot een specifieke identiteit en mezelf in die identiteit gevangen te houden. Soit!
Door het cordon sanitaire rond het Vlaams Blok/Belang is de Vlaamse samenleving zo sterk gepolariseerd geraakt: iemand die vertrekkend vanuit een andere invalshoek één van de in principe vele mogelijke genuanceerde tussenposities inneemt tussen de standpunten van het Blok/Belang en het radicale antiracisme riskeert in een publiek debat snel tussen twee stoelen te vallen en eieren en tomaten naar zijn hoofd gegooid te krijgen van beide van de twee gepolariseerde groepen.

Een kleine geschiedenis van xenofobie, vreemdelingenhaat & racisme
Racisme en vreemdelingenhaat zijn historisch gezien eigenlijk vrij recente verschijnselen. Bij primitieve stammen kent men het verschijnsel niet: vreemdelingen worden er doorgaans gastvrij ontvangen. De stammen voeren wel regelmatig oorlog maar snel daarop wordt in volledige verstandhouding de vredespijp gerookt. De talrijke vreemdelingen in de Griekse stadstaten hadden uiteraard geen volle burgerrechten omdat ze niet behoorden tot de “demoi” (stammen) die oorspronkelijk de stad hadden gesticht, maar nooit heb ik gelezen over sociale conflicten tussen de metoikoi (de lieden, meestal handelaars en ambachtslieden, die naast en tussen de oikoi – huisgemeenschappen – woonden) en de eigenlijke “autochtonen”. In de stedelijke landbouwsamenlevingen met reeds ontwikkelde handel was oorlog (bv. de oorlog tussen Grieken en Perzen) een zaak tussen legers en niet tussen volkeren. Aan de hoven van Oosterse vorsten kwamen geleerden van de meest diverse gezindten en religies bijeen om van gedachten te wisselen en de debatcultuur aan Oosterse universiteiten en hogescholen is ook vandaag in wezen veel levendiger dan bij ons in het Westen, ook over zoiets als de interpretatie van de Koran – de polarisatie tussen fundamentalistische (ultra)darwinisten en al even fanatieke creationisten met hun idee over een Intelligent Design is zo’n typevoorbeeld van het Westerse onvermogen tot verrijkende discussie. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de evangelisten Jezus na zijn geboorte zo snel mogelijk lieten bezoeken door drie Oosterse wijzen (de Driekoningen). Het Griekse woord barbaros (barbaar) werd gebruikt voor mensen en volkeren die geen Grieks spraken en “waarmee niet te praten viel”: het hield geen moreel oordeel en zeker geen veroordeling in van de zeden en gewoonten van die andere volkeren. De stad Rome, vermoedelijk gesticht door een bende vogelvrij verklaarden en outlaws, was om te groeien genoopt een groep maagden te roven bij een vreemde naburige stam nadat men eerst samen met hun vaders en broers gefeest en gedronken had (de Sabijnse maagdenroof). Het latere Romeinse Rijk was niet veel meer dan een militaire overheersing om bepaalde handelsstromen te beschermen (de keizer – Imperator – was in de eerste plaats opperbevelhebber van het leger). De Romeinen deden geen enkele moeite om in de gebieden die ze militair controleerden, de bevolking te “romaniseren”. Jezus werd enkel voor Pontius Pilatus gebracht onder de beschuldiging dat hij zich koning der Joden noemde en dus een militair/politieke bedreiging vormde voor de Romeinen, maar Pontius Pilatus wees deze beschuldiging af zodat Jezus in feite naar joods recht werd gevonnist. In het Midden-Oosten leefden tot de 20ste eeuw en de opkomst van het zionisme (en vooral de brutale wijze waarop in 1948 land werd vrijgemaakt voor de oprichting van de Staat Israël) joden, moslims, christenen en nog heel wat andere mengvormen vreedzaam naast elkaar. Hetzelfde in de periode van de 9de tot ongeveer de 14de eeuw in het welvarende El Andaluz, het kerngebied van het Moorse in wezen “interculturele” Spanje (Andaloesië): diverse bevolkingsgroepen leefden er vreedzaam naast en door elkaar en de Arabische geleerden aldaar correspondeerden vrijelijk en vriendschappelijk met bv. Italiaanse christelijke theologen en geleerden en er waren ook veelvuldige directe contacten.
Tot het Moorse Spanje in de 14-15de eeuw definitief door de katholieke Reconquista werd vernietigd. De niet-katholieken werden massaal omgebracht of werden gedwongen het Spaans grondgebied te verlaten (bv. de Sefardische joden; de meeste joden die in de Lage Landen terechtkwamen hadden hun voorvaderlijke wortels in Spanje of Portugal, bv. Spinoza, wiens vader zelf nog per boot naar Amsterdam was gevlucht). Op soortgelijke wijze werd in dezelfde periode het welvarende, cultureel verscheiden maar hoogstaande Occitanië, het land van de Katharen (de Franse Provence), verwoest en platgebrand onder het mom van de strijd tegen de manicheïstische Kathaarse ketterij (ons woord ketter komt trouwens van het woord “kathaar”).
Het expansieve katholicisme en haar onvermogen afwijkende ketterse meningen te accepteren en in de schoot van de Kerk te integreren vormen eigenlijk de primaire bron van het ontstaan van vreemdelingenhaat en racisme in het Westen. Vreemdelingenhaat is tot de periode van het kolonialisme een typisch Westers fenomeen. Zo haatten Hutu’s en Tutsi’s elkaar eigenlijk niet in Rwanda tot de Tutsi’s met de onafhankelijkheid in 1961-1962 als niet onbelangrijke minderheid individueel en collectief op basis van het zogenaamd democratisch principe “één man, één stem” elke vorm van deelname aan de politieke besluitvorming werd ontzegd (het ACW – het overwegend Vlaamse Algemeen Christelijk Werkliedenverbond – mag als hoofdverantwoordelijke voor het uitstippelen van de politieke structuur van het onafhankelijke Rwanda heel heel fier zijn op de genocide die er finaal is uit voortgevloeid). Mag de apostel Paulus de eerste universalist zijn geweest die godsdienst en etnie van elkaar loskoppelde en het christendom hebben gepredikt als een godsdienst die open stond voor alle “natiën op aarde”, het katholicisme (een neologisme dat etymologisch is gevormd vanuit de Griekse zinsnede “kata holè” of “kat’holè”, wat betekent “voor het geheel van de wereld, voor iedereen”) ging al snel zichzelf interpreteren, niet als een godsdienst die open stond voor iedereen op deze wereld en door iedereen zonder onderscheid van geslacht, ras, klasse of afkomst beleden kon worden, maar als een godsdienst die iedereen hoorde aan te hangen op straffe van een veroordeling als zondaar of ketter en eeuwige verdoemenis in de rond de 11de eeuw heruitgevonden en geherdefinieerde dodenwereld zijnde de hel. De kerstening van heidense volkeren steunde dan ook op de idee dat die volkeren in staat van zonde leefden en in Gods ogen als minderwaardige mensen en volkeren moesten worden aanzien. De Bijbel van de Joden (bv. het boek Exodus) geeft eigenlijk reeds in haar monotheïsme een voorafbeelding van dit onverdraagzaam en expansief christendom: Jahwe verhief zijn mensen tot uitverkoren volk dat moest weerstaan aan de druk om andere goden te eren dan hemzelf en dat de opdracht kreeg bij andere stammen de godsbeelden die Jahwe onbevallig waren en zijn toorn opwekten, te verwoesten en stuk te slaan.
Daarbij kwam dat de kernlanden van West-Europa (Noord-Frankrijk, Engeland, de Lage Landen, het Duitsland rond de Rijn) zich rond het jaar 1000 stilaan begonnen te herpakken van het verval waarin ze waren terechtgekomen na de ondergang van het Romeinse Rijk. Zij waren op de hoogte van de welvaart die heerste in de landen rond de Middellandse Zee. Economisch waren ze nog niet in staat met deze landen te rivaliseren, maar militair wel. De enige manier om zich ook rijkdom toe te eigenen was dus roof. En om die roof te rechtvaardigen was het handig de eigenaars van die rijkdommen te bestempelen als een zondig volk waarin God geen behagen kon scheppen. Kortom: niet-christelijke volkeren waren inferieur. Op basis van dit procedé kon niet alleen de Reconquista op het Iberisch schiereiland tot een goed einde worden gebracht (althans vanuit het standpunt van de katholieke adel en geestelijkheid), maar werden ook Scandinavië en de landen rond de Oostzee (nu de Baltische staten) gekerstend en kon men zich meester maken van de drukke handelsroute tussen Scandinavië enerzijds en Constantinopel (Byzantium, nu Istanboel), de landen rond de Zwarte Zee en het Midden-Oosten anderzijds. Tevens werden meerdere Kruistochten naar het Heilig Land georganiseerd waarbij de Kruisvaarders zich onderweg en ter plaatse aan ongelooflijke wreedheden tegenover de bevolking overgaven. In dezelfde periode dook ook het idee op om de Joden systematisch te achtervolgen met de beschuldiging dat zij Christus’ dood op hun geweten hadden.
Maar dit opkomend antisemitisme had ook nog een andere wortel: de Joden controleerden in West-Europa de geldhandel (vandaar ons woord “geldjood”). Thomas van Aquino, de katholieke theologische gezaghebber, had in de 13de eeuw nog bevestigd dat christenen geen geld mochten lenen tegen interest (woeker). De joden nu beschikten als handelaars over geld én zij hoefden zich deze katholieke richtlijn niet aan te trekken. Met als gevolg dat heel wat stedelingen (en later ook mensen van het platteland; in Duitsland tot diep in de 19de eeuw), die via een geldelijke investering poogden een slag te slaan, bij joodse financiers in het krijt stonden. Dit economisch aspect van het antisemitisme, dat in de late Middeleeuwen opdook, vormde ook de basis van het virulente antisemitisme dat op het einde van de 19de eeuw Europa begon te overspoelen, veeleer dan het religieuze element van de schuld van de joden aan de dood van Christus. De industrialisering en de kapitaalsconcentratie plus de verstedelijking en de verpaupering die ze betekende voor veel plattelanders die naar de stad getrokken waren om werk te vinden, brachten enorm veel kleinburgers (kleine ondernemers en zelfstandige ambachtslui plus geschoolde werklieden) in economische onzekerheid. De grotere ondernemingen waren nu net in handen van joden of konden hun investeringen voor schaalvergroting en vervanging van geschoolde arbeid door machines en ongeschoolde arbeid doorvoeren op basis van veelal bij joodse bankiers geleend joods kapitaal (de Rothschilds en konsoorten). De rond 1900 populair wordende kreet dat Europa bedreigd was door een “samenzwering van joden, vrijmetselaars en communisten” kwam heus niet zo maar uit de lucht vallen.
Dit modern antisemitisme ontstond in de periode 1880-1900 in Frankrijk maar de Republiek was sterk genoeg om deze golf van antisemitisme (gesymboliseerd in de Dreyfus-affaire die Frankrijk rond 1900 jarenlang verscheurde) op te vangen en te keren. In Duitsland werd het jodenprobleem acuter toen in de jaren 1920, in de naweeën van de Eerste Wereldoorlog die Oost-Europa even erg trof als de IJzer- en Sommevlaktes en van de burgeroorlog in Rusland na de Russische Revolutie van 1917, massa’s veelal verpauperde Duits- of Jiddischsprekende Oost-Europese joden in Duitsland samenstroomden. Het is in die context dat de economische ondergrond van de Jodenhaat een aanvulling vroeg. Deze aanvulling werd dan de biologische rassentheorie van nazi-ideoloog Alfred Rosenberg, die het Arische volk en de Arische ziel gezond en wel verklaarde maar het joods lichaam en de joodse ziel en geest diagnosticeerde als verdorven, gedegenereerd en ziek. Waren de Franse intellectuelen er in de periode van de verstedelijking met al haar ellende en armoede van overtuigd dat hun eigen ras aan het degenereren was (de Franse bevolking nam in die periode af terwijl die in de andere Europese landen aangroeide), dan konden de Duitsers de ondergang van het Avondland projecteren op de joden en soortgelijke “luizen” zoals Hitler ze noemde (geesteszieken, gehandicapten, homoseksuelen, zigeuners, communisten, etc.). Duitsland beschikte bovendien sinds ongeveer 1910 over een performante chemische industrie (met Bayer als toonaangever) die producten maakte waarmee de luizen (zowel de echte luizen als de figuurlijke) effectief en relatief goedkoop verdelgd konden worden. Wat dan ook, na enige aarzeling, op nooit geziene schaal gebeurde. (Naar het schijnt geniet onze koning Leopold II de twijfelachtige eer in zijn Congo-Vrijstraat de eerste massale genocide van de moderne geschiedenis te hebben gepleegd: minstens 10 miljoen mensen zouden systematisch vermoord of van ontbering gestorven zijn ter wille van Leopolds lucratieve rubberhandel.)
De biologische rassenconceptie van Rosenberg was echter helemaal niet zo nieuw. Vandaar dat de biologische component ook beschouwd mag worden als de basis van het klassieke racismebegrip dat in wezen nog steeds bovenkomt bij echte racisten, zoals bv. bij het soort lieden die op een Ku Klux Klan-achtige wijze het blanke ras verheerlijken. Deze verheerlijking verbergt doorgaans wel een diepe angst dat het blanke ras bedreigd is en gered moet worden. Deze angst vind je veel minder in het meer Italiaans geïnspireerde in wezen niet-racistische fascisme zoals we dit terugvinden bij de Italiaanse futuristen à la Marinetti en ook bij Mussolini zelf en bij de Franse “joyeux fascistes” zoals de talentvolle schrijver Robert Brasillach (in 1945 geëxecuteerd wegens hoogverraad en collaboratie) en Maurice Bardèche, één der weinige Europeanen die meteen na de oorlog in 1945 nog openlijk durfde zeggen en schrijven “Je suis un fasciste!” en een boekhandel-uitgeverij dreef waar alleen fascistische geschriften konden worden gekocht, een uitgeverij die hij naar een roman van de genoemde Brasillach “Les Sept Couleurs” noemde.
Het klassieke biologisch geïnspireerde racisme steunde op twee elementen:
1) een duidelijke classificatie van de mensen op de aardbol binnen een eindige reeks van fysisch-antropologisch afgebakende rassen;
2) de fysieke, intellectuele en morele superioriteit van het blanke ras op basis van zijn biologische constitutie, m.a.w. de verschillende rassen konden niet alleen naast elkaar geclassificeerd worden, ze waren ook hiërarchisch ingedeeld; daarbij stond het blanke ras bovenaan en het negroïde ras, de negers dus, het verst onderaan.
Voor de klaarste formulering van een dergelijke biologische racismetheorie kunnen we in de leer gaan bij de grote Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804). Immanuel Kant was namelijk ook antropoloog (en overigens ook kosmoloog!). Kant werkte zijn rassentheorie uit na een periode waarin het blanke Westen, via de ontdekkingsreizen en doorgaans met geweld, kennis had gemaakt met de meest vreemde volkeren (waaronder hier en daar ook kannibalen) op de meest afgelegen continenten van de planeet en op de verst verwijderde eilanden rond deze continenten. Zoals ook gebeurd was met fauna en flora werden deze volkeren dan “wetenschappelijk” benoemd, geclassificeerd en in kaart gebracht. Kants rassentheorie moet gezien worden als een rechtvaardiging van het kolonialisme en het imperialisme van de Europese naties en in het bijzonder van de winstgevende slavenhandel van West-Afrika naar Amerika. Vandaar ook dat de negers onderaan de ladder staan in Kants antropologie.
Een belangrijk bijkomend element dat niet zozeer het racisme maar wel de xenofobie in de hand werkte was de natievorming die zich vanaf ongeveer 1500-1600 in Europa voordeed. Met de Franse Revolutie werden deze Naties duidelijk afgebakende territoria met een bevolking die ofwel de betreffende nationaliteit bezat ofwel een vreemdeling werd. M.a.w. bewaakte grenzen met douanes; de noodzaak een paspoort te bezitten om van het ene land naar een ander te reizen; et cetera. De Naties verwachtten en eisten dat hun inwoners “de Natie lief hadden”, wat positief werd geduid als patriottisme en (na het drama van het 20steeeuwse fascisme, nationaalsocialisme en de Tweede Wereldoorlog) negatief als nationalisme. De Natievorming bracht ook met zich mee dat de bevolking geacht werd zich niet in te laten met bizarre lieden die de Natie “niet of verkeerdelijk liefhadden” en de cohesie van de Natie in gevaar brachten, van geesteszieken tot politiek subversieve elementen zoals anarchisten, et cetera. De bevolking werd dus geleerd “eigen volk” te onderscheiden van zowel allochtone als autochtone “volksvreemde elementen”. De Natievorming ligt zo aan de basis van het onderscheid wij/zij en Ik/Ander. Niet te verwonderen dat niemand goed raad wist met de bekende kreet van de ziener-dichter Arthur Rimbaud “JE est un autre!”.
We vermelden tenslotte een zelden vernoemd historisch element dat o.i. een belangrijke basis vormt voor een volkse xenofobie die in bepaalde Europese regio’s, waaronder precies onze Lage Landen, nog steeds werkzaam is. In tegenstelling tot Zuid-Europa waar grond werd bebouwd rond het dorp of stadje waar men woonde en waar de boeren dus ook eigenlijk stedelingen waren, werd in de Lage Landen (maar ook in Duitsland en Polen bijvoorbeeld) heel wat grond in versnipperde vorm verpacht aan keuterboeren. Met andere woorden, heel wat gezinnen en singles leefden afgezonderd en afgelegen. Afgelegen wonen impliceerde vanzelfsprekend een kwetsbaarheid voor rovers en inbrekers. In die context is het sociaalpsychologisch vanzelfsprekend dat men achterdocht koesterde jegens onbekenden en vreemdelingen. Met de individualisering van de samenleving in de (post)industriële maatschappijen na WO II en vooral met de elk-voor-zich mentaliteit die het neoliberalisme vanaf ongeveer 1985 in het hart van de nieuwe generaties heeft gepland, zijn mensen (en gezinnen) tegenwoordig ook psychisch geïsoleerd en veelal op zichzelf (en op de televisie) aangewezen. Mensen zijn onnoemelijk kwetsbaar geworden en worden vergeleken met voorheen effectief ook eerder door hun medemensen fysiek en psychisch aangevallen (toename van agressie in velerlei vormen zowel in het openbare leven, op het werk als in het privéleven; verharding van de samenleving).

Oef! Nu we ons ontlast hebben van deze historische achtergrondschets kunnen we wat dieper ingaan op de hedendaagse xenofobie en het hedendaagse “racisme”. Misschien kunnen we dan namelijk de vraag beantwoorden in hoeverre deze xenofobie als racisme kan worden geduid. En we kunnen ook een niet vooringenomen analyse maken van de “extreemrechtse” islamofobie van het Vlaams Belang. Maar niet alleen van het Vlaams Belang, ook van het linkse nationalisme van de Duitse Die Linke dat we overigens ook terugvinden in de politieke opstelling van de Nederlandse Socialistische Partij SP van Jan Marijnissen en in België en Vlaanderen in het niet van de grond komende Comité voor een Andere Politiek CAP. Een CAP dat misschien niet van de grond komt omdat haar “natuurlijke” doelgroep reeds onderdak heeft gevonden in dat extreemrechtse Vlaams Belang.
Ter afsluiting: Klassiek wordt in de 20steeeuwse sociologie en sociale psychologie het racisme als “attitude” of vooroordeel geanalyseerd als bestaande uit drie componenten:
1. een cognitief-intellectuele component: de met anderen binnen de eigen gemeenschap gedeelde overtuiging dat alle leden van één of meerdere andere gemeenschappen vanuit hun “(biologische of culturele) aard” bepaalde eigenschappen hebben die hen ongeschikt maken om erkend te worden als gelijkwaardige wezens die mogen genieten van de grondwettelijk gewaarborgde burgerrechten en van bescherming vanwege de Staat en de overheden; de fysieke of morele inferioriteit die toegeschreven wordt aan deze gemeenschap, maakt dus deel uit van een soort min of meer uitgewerkte en zowel mondeling als schriftelijk overgedragen “theorie”. Daarbij komt echter dat deze overtuiging bij de overheden (zowel de politieke als de intellectueel-culturele) als wetenschappelijke onzin geboekstaafd staat, wat precies de basis vormt voor elke antiracismewetgeving. Volgens de officiële of dominante ideologie zijn racistische denkbeelden daarom “irrationeel”. Mensen die racist of fascist worden (of zelfmoordterrorist of om het even wat of die zeggen: “Politiek interesseert me niet”) hebben echter wel degelijk hun redenen voor hun denkbeelden of acties. Het is niet omdat wij of de officiële ideologie deze redenen ongegrond vinden, dat deze mensen meteen “irrationeel” of “onredelijk” worden. Het is (politieke) macht en niet redelijkheid die toelaat anderen te veroordelen wegens “onredelijkheid”. Maar het is altijd een vorm van dom machtsgebruik om de redenen die mensen aangeven, niet ernstig te nemen, te negeren en ongegrond te verklaren.
Opgemerkt moet worden dat het racisme intellectueel een zekere paradox vertoont: de geviseerde gemeenschap wordt als inferieur gekenmerkt maar tegelijk is deze overtuiging een antwoord op het gegeven dat men niet kan ontsnappen aan de indruk dat deze gemeenschap te machtig is. Het moderne antisemitisme steunde precies op de waarneming dat de joden veel te veel (economische) macht hadden en het uitzicht van de samenleving meer konden beïnvloeden dan de modale niet-joodse burgers. Ook de actuele islamofobie gaat uit van de overtuiging dat moslims in de feitelijkheid het samenlevingsgebeuren veel te diepgaand beïnvloeden en feitelijk meer macht hebben dan wat op basis van hun aantal billijk zou moeten zijn.
2. een affectief-emotionele component: het waarnemen van de verwerpelijke kenmerken bij een andere daardoor als discriminatiewaardig beschouwde gemeenschap gaat gepaard met een gans palet van negatieve gevoelens: angst, viscerale afkeer, minachting, woede, enz.; doorgaans gaan deze gevoelens gepaard met (op andere momenten geuite) positieve emoties met betrekking tot de eigen gemeenschap: trots, enthousiasme, fierheid, emotionele betrokkenheid bij bv. sportprestaties van leden van de eigen gemeenschap, et cetera; ik schrijf “doorgaans”, want in heel wat gevallen zit racisme gevat in een algeheel cultureel onbehagen, ressentiment en pessimisme en in een diep geworteld gevoel (of besef) van globaal beschavingsverval.
3. een gedragscomponent: de geneigdheid en bereidheid om zekere acties te ondernemen om de inferieure gemeenschap of leden ervan op hun plaats te zetten, gaande van het stemmen op partijen die beloven de door de geviseerde gemeenschap veroorzaakte problemen resoluut aan te pakken tot directe agressie tegen leden van de geviseerde gemeenschap (bv. het in brand steken van de woning van leden van de betreffende gemeenschap).
Deze analyse van racisme klinkt heel mooi maar het reële racisme is veel complexer en heel dikwijls gekleurd met persoonlijke elementen op basis van persoonlijke ervaringen. Zo heeft geen enkel mens die stelt dat zigeuners dieven zijn, er moeite mee om toe te geven dat er ook goeie zigeuners zijn die alle respect verdienen. Centraal staat in het racisme volgens mij dan ook niet zozeer het intellectuele vooroordeel m.b.t. de leden van een bepaalde gemeenschap, maar het totale onbegrip en de pertinente weigering welk begrip dan ook op te brengen voor de reden waarom sommige leden van de geviseerde gemeenschap de desbetreffende verwerpelijke eigenschap vertonen. Het probleem van de Roma-zigeuners, dat rond 2005 in Europa opdook (vooral in Italië, en dit vanwege de verwantschap tussen de Italiaanse en de Roemeense taal), is zomaar niet uit de lucht komen vallen. De Roemeense zigeuners hadden de hoop gekoesterd dat hun situatie van volkomen discriminatie in het postcommunistische zogenaamde democratische Roemenië van de jaren 1990 significant zou verbeteren. Effectief stuurden zij hun kinderen naar school zodat ze met een diploma perspectieven zouden krijgen op de reguliere arbeidsmarkt in plaats van te moeten stelen en zich over te geven aan andere criminele activiteiten. De zigeuners moesten na 10 jaar echter vaststellen dat hun situatie er helemaal niet op verbeterd was, integendeel eerder.
Het is in de context van dergelijk onbegrip en weigering om te begrijpen dat een minderheid tot zondebok kan verworden waarbij de minderheid wordt afgerekend op ervaren onrechtvaardigheden waarvoor ze op geen enkele manier verantwoordelijk zijn.
Zo. Nu kunnen we een namiddag naar adem happen in de zonnige buitenlucht en de nodige energie opdoen om finaal de hedendaagse relatie tussen nationalisme, racisme en socialisme te situeren. Toch nog als laatste wuiving dit voorbeeldje van subtiel maar dagelijks terugkerend racisme, eigenwaan, arrogantie en minachting voor de ander. Hoorde ik namelijk de zichzelf altijd overtreffende Indra Dewitte net niet op De Zevende Dag aankondigen dat Europees commissaris Karel De Gucht Raoul Castro (de broer van Fidel, die na diens ziekte de Cubaanse regering leidt) de les heeft geleerd. Ik meen het goed verstaan te hebben: ik zal het vanavond natrekken als De Zevende Dag herhaald wordt (al worden bij de herhaling de tussenberichten en aankondigingen meestal gewist; OK: Indra Dewitte zei niet “de les geleerd”, maar “de les gelezen”, het komt op hetzelfde neer). In het daaropvolgend interview met de Euro-commissaris geeft De Gucht echter net aan dat hij zich heeft moeten beheersen om geen communist te worden. Kortom: De Gucht zal meer geleerd hebben van Raoul Castro dan omgekeerd. Dat lijkt me als je hun leven en de daarbij horende ervaringen vergelijkt, ook de logica zelve. En de Cubanen hebben niet die onhebbelijkheid om op hun televisie De Gucht op te voeren als iemand die ze “de les hebben gelezen”.
Arm Vlaanderen! Als er dan een gemeenschap is jegens dewelke ik racistische gevoelens koester, dan is het wel de zogenaamde “Vlaamse gemeenschap”, die gelukkig niet bestaat. Maar voor alle zekerheid zal ik daarom ook als ik Brussel verlaat, niet in Gent, Antwerpen of Mechelen gaan wonen. Nee, zoals Brussel, aan de buitenste rand van Vlaanderen zodat je in alle opzichten zo snel mogelijk kunt uitwijken. Het is aan die rand dat er gelukkig ook een zeker gezond kosmopolitisme heerst. Zo gezond dat Oostende en ook Brussel zo te zien weinig last hebben van die ingevoerde varkensgriep. Hoera!
Als we onderstaande versie van Darwins evolutietheorie volgen, is het trouwens vrij evident dat we geplaagd worden door varkensgriep en niet door vogelgriep of kabeljauwgriep. Haha! Ik vaccineer me straks wel met een ferme schuimende Leffe Radieuse!

[7-8 november 2009; wordt vervolgd]